De staatssecretaris heeft vorige week Kamervragen beantwoord over pleegkinderen die na hun 18e verjaardag in de knel komen. Het komt voor dat gemeenten zonder overleg met betrokkenen pleegzorg stoppen als het pleegkind 18 jaar wordt. Is dat juist? Kan pleegzorg ook na het 18e jaar doorlopen? En waar moet de gemeente verder rekening mee houden in dit soort situaties?

De Jeugdwet bepaalt dat pleegzorg ook mogelijk is nadat het pleegkind 18 jaar is geworden. De gemeente beoordeelt dan of de voorziening voor pleegzorg ook ná de 18e verjaardag moet doorlopen. De pleegzorgvoorziening kan maximaal doorlopen totdat het kind 23 jaar is geworden. Bij de beoordeling of de pleegzorg na het 18e jaar moet doorlopen zijn een aantal zaken van belang. Zo gelden vanaf het 18e jaar enkele andere regels.

Toestemming ouders met gezag

De Jeugdwet bepaalt dat voor jeugdhulp aan een kind vanaf 16 jaar enkel de toestemming van het kind zelf nodig is. Toestemming van de ouders met gezag (of voogd) is vanaf het 16e jaar niet meer nodig. Tenzij het kind niet in staat is om zelf die beslissing te nemen. Zie ook ons schema Toestemming.

Aangezien pleegzorg een vorm van jeugdhulp is, kan de indruk ontstaan dat het kind vanaf 16 jaar al zelf beslist over plaatsing in een pleeggezin. Dat staat echter op gespannen voet met de regels over gezag in het Burgerlijk Wetboek. Daaruit volgt namelijk dat de ouders met gezag degenen zijn die beslissingen nemen over de verzorging en opvoeding van hun kind tot 18 jaar. Tot dat moment bepalen de ouders met gezag dus waar het kind woont. Het is moeilijk voorstelbaar dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om beslissingen over de woonplek van een minderjarig kind, al vanaf het 16e jaar door het kind zelf te laten nemen. Pleegzorg (in het vrijwillig kader) kan naar onze mening dan ook alleen ingezet worden als de jeugdige én de ouders met gezag daarmee instemmen.

Vanaf het 18e jaar hebben ouders geen gezag meer. Als een pleegkind ook na de 18e verjaardag in het pleeggezin wil blijven, dan is toestemming van de ouders dus niet nodig.

Verantwoordelijke gemeente

Voor een kind dat nog geen 18 jaar is en naar een pleeggezin gaat, is dus de toestemming nodig van de ouder met gezag. Volgens het woonplaatsbeginsel Jeugdwet betekent dit dat de gemeente waar die ouder met gezag woont verantwoordelijk is voor de pleegzorg. Maar het woonplaatsbeginsel bepaalt ook dat als een jeugdige 18 jaar is geworden, er gekeken moet worden naar de werkelijke verblijfplaats van het kind. De gemeente van die verblijfplaats is dan verantwoordelijk. Als het pleegkind dus in een andere gemeente woont dan zijn ouder met gezag, dan wijzigt de verantwoordelijke gemeente zodra het pleegkind 18 jaar wordt.

Ook een kind vanaf 16 jaar kan niet zelf beslissen over plaatsing in een pleeggezin

Tijdig gesprek over situatie na 18 jaar

De staatssecretaris wijst in zijn beantwoording van de kamervragen op het volgende: “Het is aan gemeenten om in overleg met pleegouders, pleegkinderen, de pleegzorgaanbieder en eventueel de gezinsvoogd tot een beoordeling te komen wat nodig en wenselijk is voor de 18-jarige.” Verder benadrukt hij dat “het gesprek zo vroeg mogelijk moet worden gevoerd, zodat er voldoende tijd is om te bepalen wat voor de jeugdige het beste is.” Volgens de staatssecretaris kan het niet zo zijn dat pleegzorg zonder een gesprek daarover wordt stopgezet.

Zoals gezegd kan het zijn dat een andere gemeente verantwoordelijke wordt voor de pleegzorg op het moment dat het pleegkind 18 jaar wordt. In dat geval is het raadzaam om ook de ‘nieuwe’ gemeente vroegtijdig erbij te betrekken.

Aansluiting ondersteuning Wmo

Uit het gesprek met het pleegkind en de beoordeling van de gemeente kan voortkomen dat de voorziening voor pleegzorg na het 18e jaar doorloopt. Maar er kan ook behoefte zijn aan andere ondersteuning vanaf het 18e jaar. Bijvoorbeeld bepaalde vormen van begeleid wonen die vanuit de Wmo 2015 geboden worden. Voor gemeenten is het van belang om dan te zorgen voor een goede aansluiting tussen de zorg vanuit de Jeugdwet en de zorg vanuit de Wmo. In een recent opiniestuk heeft mijn collega Nicole Tielen dit al onder de aandacht gebracht.