Sinds de invoering van de Jeugdwet wordt er gediscussieerd over de reikwijdte van het beginsel van ‘eigen kracht’. Is er bijvoorbeeld sprake van ‘eigen kracht’ als ouders al jaren de benodigde jeugdhulp leveren en daar dus kennelijk in kunnen en willen voorzien? Of, valt gebruikelijke hulp onder ‘eigen kracht’? Deze vragen hebben we in eerdere opinies besproken. In deze opinie ga ik in op een andere vraag. Namelijk, of de gemeente geen jeugdhulp hoeft te verstrekken als het gezinsinkomen toereikend is om ouders zelf de jeugdhulp te laten bieden. Een principiële vraag, waar de Centrale Raad voor Beroep naar verwachting binnenkort antwoord op zal geven. Hierop vooruitlopend alvast mijn visie. 

Aanleiding voor deze opinie zijn recent gepubliceerde uitspraken van de Rechtbank Rotterdam (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RBROT:2019:52, ECLI:NL:RBROT:2018:2211 en ECLI:NL:RBROT:2018:5884). De rechtbank Rotterdam is, tot mijn verbazing, van oordeel dat het college geen pgb hoeft te verstrekken als het gezinsinkomen toereikend is. Oftewel, als het inkomen van een gezin hoog genoeg is mogen we van ouders verlangen dat ze op basis van eigen kracht zelf jeugdhulp bieden. Dat bekent dus dat volgens de rechtbank kennelijk van ouders verwacht mag worden dat ze minder gaan werken als hun kind meer hulp van hun nodig heeft. Leidend is de vraag of het gezinsinkomen toereikend blijft. Pas als dat niet het geval is, kan een beroep worden gedaan op de Jeugdwet.

Eigen kracht

De rechtbank Rotterdam rekt hier wat mij betreft het begrip van ‘eigen kracht’ te ver op. Duidelijk is dat het benutten en uitbouwen van eigen verantwoordelijkheid en eigen mogelijkheden (‘eigen kracht’) van ouders één van de transformatiedoelen uit de Jeugdwet is. Maar wat eigen kracht is, wordt in de Jeugdwet niet gedefinieerd. Uit de Jeugdwet volgt dus in ieder geval niet dat eigen kracht ook ziet op de financiële mogelijkheden van een gezin om zelf de noodzakelijke hulp te bieden als een kind bovengebruikelijke hulp nodig heeft. Voor de uitleg van ‘eigen kracht’ kunnen we wel aanknopingspunten vinden in de Wmo 2015.

De Wmo 2015 kent ook het uitgangspunt van ‘eigen kracht’ en hanteert een vergelijkbaar afwegingskader bij de beoordeling van de vraag of iemand in aanmerking komt voor hulp vanuit de overheid. Ten aanzien van de Wmo 2015 heeft de Centrale Raad voor Beroep inmiddels duidelijk gemaakt dat het inkomen of vermogen van burgers geen rol speelt bij de toekenning van voorzieningen. Dit vanuit de gedachte dat maatschappelijke ondersteuning voor iedereen toegankelijk moet zijn, ongeacht de hoogte van het inkomen en/of vermogen. Ik vind het niet uit te leggen waarom in twee wetten die zoveel gelijkenissen en samenhang vertonen een belangrijk beginsel als dat van ‘eigen kracht’ zo anders zou moeten worden uitgelegd.

Drempels opwerpen

De uitleg die de Rechtbank Rotterdam aan het beginsel van ‘eigen kracht’ geeft, zorgt er daarnaast voor dat jeugdhulp niet langer toegankelijk zal zijn voor alle gezinnen. De discussie over het wel of niet hebben van voldoende gezinsinkomen zal als een drempel tot jeugdhulp worden ervaren. En dat was nou juist één van de redenen waarom de ‘ouderbijdrage’ uit de Jeugdwet is gehaald (zie Memorie van Toelichting, 34 614, nr. 3). Jeugdhulp zou toch voor iedereen toegankelijk zijn, ongeacht de financiële positie?

De rechtbank rekt het begrip van ‘eigen kracht’ te ver op

Wetgever aan zet

Dat gemeenten proberen om de reikwijdte van de Jeugdwet in te perken is in het licht van de beperkte jeugdhulpbudgetten goed te verklaren. Dat in dat kader ook ethische thema’s naar voren komen zoals de vraag wat van ouders mag worden verwacht en wanneer de overheid aan zet is, is ook logisch. Maar naar mijn idee zijn dat fundamentele vragen die op het niveau van de landelijke politiek moeten worden beantwoord. Het kan niet zo zijn dat de toegang tot jeugdhulp in die mate op gemeentelijk niveau verschilt.

Want zelfs als je de financiële positie mee laat wegen, kun je nog sterk van mening verschillen over waar je de grens trekt. Mag bijvoorbeeld ook van ouders verwacht worden dat ze helemaal stoppen met werken (zolang ze dan nog een aanvaardbare financiële positie hebben)? En hoe bepalen we wat een aanvaardbare financiële positie is? Is dat voor elk gezin hetzelfde (op basis van NIBUD normen), of wordt ook rekening gehouden met het inkomen dat de ouder op basis van bijvoorbeeld opleidingsniveau zou kunnen verwerven? En wat als er niet om een pgb maar om zorg in natura wordt gevraagd? Moeten ouders de hulp dan ook zelf bieden als ze daar de capaciteiten voor hebben (bijvoorbeeld na scholing) en de financiële positie dit toelaat?

Ik hoop dat de Centrale Raad snel met een gemotiveerde uitspraak komt, zodat duidelijk wordt of binnen de huidige wetgeving zo’n ruime uitleg aan het beginsel van ‘eigen kracht’ mag worden gegeven. Wat mij betreft zou leidend moeten zijn wat het kind nodig heeft en of dat de ‘normale’ taken van de ouders overstijgt. Voor nu adviseer ik gemeenten om niet mee te gaan in de uitleg van de Rechtbank Rotterdam. Simpelweg om dat daarvoor geen grondslag bestaat in de Jeugdwet.