De handtekening. In het jeugdhulptraject is er strikt genomen maar één nodig. In de praktijk ontstaat daar nogal eens discussie over. Wanneer moet er een handtekening gezet worden en op welke documenten? Wie moet er toestemming geven en waarvoor? In deze opinie licht ik graag toe op welke momenten in de procedure, om te komen tot jeugdhulp, toestemming en een handtekening vereist is (en wanneer niet) en wie naar mijn mening de betreffende handtekening moet zetten.

Fasen van toestemming

Allereerst is van belang om te weten wie in welke fase verantwoordelijk is voor het verkrijgen van de juiste toestemming. De procedure om te komen tot jeugdhulp kun je opsplitsen in drie fases:

  1. De aanvraag (in de praktijk vaak melding) tot jeugdhulp
  2. Onderzoek
  3. Het verlenen van jeugdhulp

Bij de aanvraag is het college verantwoordelijk voor de verkrijging van de benodigde handtekening. Door het zetten van de handtekening is de aanvraag (het verzoek om jeugdhulp) rechtsgeldig en kan een beschikking worden afgegeven. Het is dus niet nodig dat alle betrokkenen toestemming geven voor de aanvraag van jeugdhulp. Ook het invullen van een toestemmingsformulier is niet vereist in dit kader. Er moet slechts een handtekening zijn van een belanghebbende, wat in de praktijk meestal de jeugdige zelf en/of de gezaghebbende ouder is. Het is dus niet nodig dat beide gezaghebbende ouders de aanvraag ondertekenen of dat zowel de jeugdige als de ouder deze ondertekent. Eén van hen is genoeg.

Het college doet vervolgens onderzoek. Pas als duidelijk is welke jeugdhulp nodig is, inventariseert het college of de jeugdige en/of de ouders (afhankelijk van de leeftijd van de jeugdige) instemmen met de inzet van die jeugdhulp. Daarvoor is geen handtekening nodig. Bovendien ligt de eindverantwoordelijkheid bij de jeugdhulpverlener en niet bij het college. Desondanks is het wel nuttig om alvast te bekijken hoe partijen erin staan. Want ontbreekt de vereiste toestemming, dan moet het college afwegen of het uitblijven van jeugdhulp de ontwikkeling van de jeugdige ernstig bedreigd. Als dat het geval is moet het college de Raad voor de Kinderbescherming vragen onderzoek te doen. Raadpleeg voor een schematische weergave van het onderscheid tussen aanvraag en toestemming ook onze infographic.

Aanvang jeugdhulp

De jeugdhulpverlener is verantwoordelijk voor het verkrijgen van de toestemming in de fase van het daadwerkelijk verlenen van jeugdhulp. Belangrijk hierbij is dat dit zowel mondeling als schriftelijk kan omdat er geen schriftelijkheidsvereiste is opgenomen in de wet. Een handtekening is dus strikt genomen niet nodig. Wie op dat moment toestemming moet geven, is afhankelijk van de leeftijd van de jeugdige.

Handtekening vragen van jeugdige

Als het om jeugdigen in de leeftijd van 12 tot 16 jaar gaat, wordt bijna altijd om een handtekening gevraagd voor de inzet van jeugdhulp (de toestemming), terwijl dit juridisch niet nodig is. Als de jeugdige mondeling toestemming geeft, is dat voldoende. Uiteraard is het begrijpelijk om wel een handtekening te vragen in het kader van de bewijsrechtelijke positie, op het moment dat hier discussie over ontstaat. Maar ik ben van mening dat het niet nodig is om ook van de jeugdige schriftelijk vast te leggen dat hij/zij akkoord gaat met de geboden hulp.

Dat heeft de Kinderombudsman in een rapport naar aanleiding van een klacht al eens aangegeven. In de desbetreffende zaak moesten de jeugdigen (de leeftijden waren 11, 14 en 16 jaar) een budgetplan ondertekenen alvorens overgegaan kon worden tot het verlenen van jeugdhulp. De gemeente zag die handtekening als de vereiste toestemming. De Kinderombudsman veroordeelde deze werkwijze van de gemeente. Op de eerste plaats stelde hij vast dat toestemming voor jeugdhulp niet gegeven hoeft te worden middels het ondertekenen van een budgetplan. Maar de Kinderombudsman vond ook dat hiermee teveel werd gevraagd van de betreffende jeugdigen. Het college had tevoren moeten bekijken of de mening die de jeugdigen werd gevraagd, zag op iets dat hen aangaat en waarvoor ze ook in staat kunnen worden geacht hun mening te geven. Het moeten ondertekenen van een gedetailleerd financieel plan zorgt voor een onevenwichtige belasting en schiet het doel van de Jeugdwet voorbij. Deze handtekening was dan ook niet nodig.

Toch heeft deze uitspraak naar mijn mening weinig effect gesorteerd. In de praktijk krijgen wij nog vaak vragen over welke documenten allemaal door ouders en jeugdigen ondertekend moeten worden om toestemming te krijgen. Mijn advies hierin is dus dat alleen de aanvraag ondertekend moet worden door een belanghebbende (een ouder en/of een jeugdige), zodat deze in behandeling genomen kan worden. En dat bij het daadwerkelijk verlenen van jeugdhulp, zowel de ouder als de jeugdige (afhankelijk van de leeftijd) hier toestemming voor geven, waarbij dit ook mondeling kan. Een handtekening is niet noodzakelijk. Andere zaken zoals een plan van aanpak, een familieplan of een budgetplan hoeven niet ondertekend te worden. Als een jeugdige expliciet mondeling aangeeft akkoord te gaan, kan de jeugdhulpverlener hier een aantekening van maken in het dossier. Als de jeugdhulp aanvangt en de jeugdige verschijnt om de behandeling bij te wonen, blijkt daar impliciet ook toestemming uit in het kader van de bewijsrechtelijke positie.

Toestemming voor jeugdhulp kan ook mondeling gegeven worden; dit hoeft niet schriftelijk.

Conclusie

Het is in het kader van jeugdhulpverlening niet nodig om op allerlei momenten handtekeningen te verzamelen. Er is juridisch gezien slechts één handtekening nodig. Dat is bij de aanvraag, zodat deze rechtsgeldig in behandeling kan worden genomen. Daarnaast dient er strikt genomen slechts op één moment daadwerkelijk toestemming te worden gegeven en dat is bij de aanvang van de jeugdhulpverlening. Een handtekening is niet nodig omdat deze toestemming ook mondeling gegeven kan worden. Van belang is dat het betrekken van een jeugdige bij de totstandkoming van jeugdhulp op een kindvriendelijke manier die past bij zijn leeftijd en ontwikkeling, dient plaats te vinden. Zij moeten zo geïnformeerd worden over zaken die hen aangaan, waarbij het niet te belastend is, maar zij zich wel een mening kunnen vormen. Belangrijk is om de jeugdige en de ouders zoveel mogelijk hierin te laten meedenken. Tot slot is van belang dat er een balans dient te zijn tussen het rekening houden met de groeiende capaciteiten enerzijds en de juiste mate van bescherming anderzijds. Enkel op die wijze zal er geen onnodige belasting van de jeugdige plaats vinden.