Voor veel belanghebbenden voelt een dwangsom als een vorm van compensatie voor frustratie, onzekerheid en langdurige procedures. Juridisch ligt dat echter anders. Juist daardoor kunnen de gevolgen voor de bijstand groter zijn dan men vaak verwacht.
Is een dwangsom een immateriële schadevergoeding?
Wie jarenlang moet wachten op een besluit, zal zich mogelijk afvragen waarom een ontvangen dwangsom niet gewoon als schadevergoeding wordt beschouwd. Het antwoord is eenvoudig: omdat dat niet het doel van de regeling is.
Een dwangsom wegens niet tijdig beslissen is bedoeld als prikkel voor een bestuursorgaan om binnen de wettelijke termijn een besluit te nemen. De wetgever heeft de regeling niet ontworpen als compensatie voor schade die een burger heeft geleden. Dat onderscheid is voor de Participatiewet van belang. Omdat geen sprake is van een schadevergoeding, kan het bedrag niet worden vrijgelaten op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel s, van de Participatiewet.
De rechtbank Den Haag bevestigde dit uitgangspunt in de uitspraak van 8 december 2022 (ECLI:NL:RBDHA:2022:13492). Voor de uitvoering betekent dit dat een dwangsom niet dezelfde behandeling krijgt als een vrijgelaten immateriële schadevergoeding.
Is een dwangsom inkomen of vermogen?
De volgende vraag is hoe een dwangsom dan wel moet worden gekwalificeerd.
Een dwangsom wegens te late besluitvorming is geen inkomen uit arbeid en houdt ook geen verband met arbeidsinschakeling of uitkeringsverstrekking. Daarmee ontbreekt een grond om het bedrag als inkomen aan te merken. In het kader van de Participatiewet wordt een dergelijke ontvangst daarom beschouwd als vermogen.
Dat lijkt een technisch onderscheid, maar de gevolgen kunnen aanzienlijk zijn. Inkomen beïnvloedt doorgaans direct de hoogte van de uitkering in de maand van ontvangst. Vermogen wordt daarentegen afgezet tegen de toepasselijke vermogensgrens. Pas wanneer die grens wordt overschreden, ontstaan gevolgen voor het recht op bijstand.
Blijft de dwangsom wel vrij voor gedupeerden van de toeslagenaffaire?
Bij de toeslagenaffaire zijn verschillende uitzonderingen in de sociale zekerheid ingevoerd. Daardoor kan de indruk ontstaan dat iedere betaling die verband houdt met procedures tegen de overheid buiten beschouwing blijft.
Dat is niet het geval.
Voor gedupeerden van de toeslagenaffaire geldt inderdaad een bijzondere vrijlating op grond van artikel 31, tweede lid, onderdeel l, van de Participatiewet in samenhang met artikel 7, onderdeel p, van de Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ. Die vrijlating heeft echter uitsluitend betrekking op de herstel- en compensatiebedragen die zijn toegekend in het kader van de Wet hersteloperatie toeslagen en de daarbij behorende regelingen.
Een dwangsom die wordt ontvangen omdat een bestuursorgaan een beslissing te laat heeft genomen, valt niet onder deze uitzonderingsregeling. Ook wanneer de belanghebbende gedupeerde van de toeslagenaffaire is, wordt een dergelijke dwangsom daarom als vermogen aangemerkt.
Een dwangsom is bedoeld als drukmiddel voor de overheid, niet als schadevergoeding voor de burger. Juist dat maakt het verschil binnen de Participatiewet.
Heeft de ontvangst van een dwangsom direct gevolgen voor lopende bijstand?
In de praktijk is dit vaak de belangrijkste vraag.
Zolang het totale vermogen van de belanghebbende, inclusief de ontvangen dwangsom, onder de toepasselijke vermogensgrens blijft, heeft de ontvangst geen gevolgen voor het recht op bijstand. In die situatie ontstaat ook geen verplichting om de ontvangst actief te melden.
Anders wordt het wanneer de vermogensgrens door de ontvangst van de dwangsom wel wordt overschreden. Dan moet de belanghebbende dit op grond van artikel 17 van de Participatiewet onmiddellijk melden aan het college.
Een tijdige melding zal niet altijd voorkomen dat de bijstand moet worden herzien of ingetrokken. Wanneer het vermogen door de ontvangen dwangsom boven de vermogensgrens uitkomt, bestaat over die periode mogelijk geen recht op bijstand.
Daarbij is van belang dat wordt gekeken naar de periode waarin het vermogen feitelijk boven de vermogensgrens uitkwam. Dat het geld later is uitgegeven of verdwenen van de bankrekening doet daar in beginsel niet aan af.
Tijdige melding zorgt er wel voor dat het college eerder op de hoogte is van de situatie, waardoor de gevolgen in de praktijk vaak beperkt blijven tot een kortere periode.
Hoewel de wet dus niet verplicht tot melding zolang de vermogensgrens niet wordt overschreden, is het in de praktijk verstandig dat cliënten bij ontvangst van een groot bedrag direct contact opnemen met de gemeente. Dat voorkomt discussies achteraf over de omvang van het vermogen en de inlichtingenplicht.
Schulinck AI-Desk Participatiewet
Dwangsommen kunnen behoorlijk complex zijn in relatie tot bijstand. Het is van belang dat je per situatie bekijkt hoe het precies zit. Met Schulinck AI-Desk stel je gemakkelijk jouw vragen over je casus en ontvang je direct een juridisch correct antwoord, inclusief bronvermelding zodat je weet dat het 100% goed zit. Probeer het zelf!
Het geld is al op. Wat nu?
Bijstandsgerechtigden gebruiken een ontvangen dwangsom regelmatig om schulden af te lossen, geld aan familie over te maken of contant op te nemen. Soms gebeurt dat binnen enkele dagen nadat het bedrag is ontvangen. De gedachte is dan vaak dat het vermogen inmiddels verdwenen is en daarom geen rol meer speelt. Zo eenvoudig ligt het niet.
Bij aflossing van schulden moet allereerst vaststaan dat de schuld daadwerkelijk bestaat. Het bestaan van de schuld en de aflossing moeten objectief en controleerbaar kunnen worden vastgesteld. Denk aan leenovereenkomsten, facturen, aanmaningen en bankafschriften.
Een overboeking aan familie ligt nog gevoeliger. Wanneer geen afdwingbare schuld bestaat, wordt zo’n betaling al snel beschouwd als een schenking. Het gevolg daarvan is dat het vermogen vrijwillig wordt verminderd.
Ook contante opnames leveren regelmatig bewijsproblemen op. Het enkele opnemen van geld betekent niet dat het vermogen is verdwenen. Uitgangspunt is dat het geld nog steeds tot het vermogen behoort. Het is aan de belanghebbende om aannemelijk te maken dat dit anders is, bijvoorbeeld met controleerbare gegevens over bestedingen of een onderbouwde verklaring waaruit blijkt dat het geld niet meer beschikbaar is.
Daar staat tegenover dat vermogen wel degelijk kan afnemen door noodzakelijke uitgaven. Wanneer aantoonbaar geld wordt besteed aan algemeen gebruikelijke en noodzakelijke inboedel, zal het vermogen dalen terwijl de aangeschafte goederen in beginsel niet als vermogen meetellen.
De uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 8 juli 2025 (ECLI:NL:CRVB:2025:1778) laat zien dat ook het leerstuk van het tekortschietend besef van verantwoordelijkheid hierbij een rol kan spelen. Als iemand zijn vermogen onverantwoord uitgeeft en daardoor eerder of langer op bijstand is aangewezen, kan het college daarop reageren. Dat kan leiden tot een verlaging van de bijstand of tot verstrekking van de uitkering in de vorm van een geldlening.
De les is duidelijk: een dwangsom voelt misschien als een meevaller, maar binnen de Participatiewet kan het uitgroeien tot een ingewikkelde vermogenskwestie. Wie een aanzienlijk bedrag ontvangt, doet er verstandig aan direct stil te staan bij de gevolgen voor het recht op bijstand voordat het geld wordt besteed.