Wanneer mag een gemeente een pgb terugvorderen?
De gemeente mag een pgb terugvorderen als:
- de gemeente een eerder pgb‑besluit heeft ingetrokken of herzien en
- dat is gebeurd omdat de inwoner onjuiste of onvolledige informatie heeft gegeven en
- die onjuiste of onvolledige informatie opzettelijk is verstrekt
Pas als aan alle drie de voorwaarden is voldaan, mag de gemeente de geldswaarde van het pgb terugvorderen van de cliënt (art. 2.3.10 en 2.4.1 Wmo 2015). En eventueel van iemand die bewust daaraan heeft meegewerkt, bijvoorbeeld een pgb-beheerder of een zorgverlener.
Waarom is terugvordering beperkt tot opzet?
In de wetsgeschiedenis[1] is uitdrukkelijk aandacht geschonken aan deze beperkte mogelijkheid tot terugvordering: “De algemene beginselen van behoorlijk bestuur dwingen ertoe dat gemeenten zich behoorlijk gedragen richting een cliënt. Zo moet de cliënt weten waar hij aan toe is; de cliënt mag er bij het doorgeven van juiste gegevens vanuit gaan dat het genomen besluit juist is. Het zou in strijd zijn met de rechtszekerheid als de gemeente alle mogelijkheid heeft om terug te vorderen.”
Alleen die inwoner die bewust informatie achterhoudt of onwaarheden vertelt verliest deze bescherming tegen terugvordering. Alle anderen mogen vertrouwen op de juistheid van een besluit over ondersteuning uit de Wmo 2015. Dus ook als de gemeente een fout maakt en het pgb per ongeluk te hoog vaststelt. De bevoegdheid van de gemeente beperkt zich dan tot het herzien voor de toekomst.
Pgb terugvorderen? Opzet vereist!
Mag de verordening meer terugvorderingsgronden bevatten dan artikel 2.4.1 Wmo 2015?
Nee. Artikel 2.1.3 lid 4 Wmo 2015 geeft de raad de opdracht om in de verordening regels te maken over het bestrijden van ten onrechte ontvangen voorzieningen en misbruik. In dat wetsartikel staat niet dat die regels om misbruik te bestrijden beperkt moeten blijven tot opzet. Dat klinkt als een vrijbrief voor gemeenten om in de verordening ook een mogelijkheid tot terugvorderen op te nemen als geen sprake is van opzet. Maar dat is niet de bedoeling van die bepaling. De verordening mag niet de mogelijkheden uit artikel 2.4.1 Wmo 2015 oprekken, deze mag ze alleen verder invullen. Denk bijvoorbeeld aan:
Het college informeert cliënten op een begrijpelijke manier over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.
Mag terugvorderen bij overlijden en verhuizen wel?
Nee, ook dan is geen sprake van opzettelijk onjuiste gegevens verstrekken. De Rechtbank Amsterdam heeft dat recent nog eens bevestigd[2]. De gemeente wilde, met een beroep op de eigen verordening, een scootmobiel of de waarde daarvan terugvorderen omdat de inwoner vrij kort na toekenning was overleden. Terecht stelde de rechtbank dat de ruimere bepaling in de verordening geen grondslag biedt om dan terug te vorderen.
In deze zaak konden de erfgenamen van de inwoner de scootmobiel dus verkopen en de opbrengst daarvan houden.
En verrekening met een pgb voor nieuwe passende ondersteuning?
Een situatie die regelmatig voorkomt: een cliënt heeft eerder met een Wmo-pgb een driewielfiets aangeschaft. Vanwege toename van de beperkingen is deze niet meer passend, en is een scootmobiel nodig. Deze wil cliënt weer als pgb ontvangen. Hoe logisch is het dan dat de cliënt de fiets verkoopt en de opbrengst daarvan ten goede komt aan de aankoop van de scootmobiel! Inderdaad logisch, eerlijk ook. Maar niet mogelijk onder de Wmo 2015. Want ook hier is geen sprake van het (opzettelijk) verstrekken van onjuiste gegevens.
Let op: tekst loopt door onder afbeelding.
Meer weten over het verstrekken en terugvorderen van een pgb in de Wmo 2015? U leest er alles over in de Kennisbank Wmo op de pagina 'Terugvordering'. U kunt ook gemakkelijk uw vraag stellen aan Schulinck AI-Desk Wmo!
En (terug)vorderen van waardestijging bij een omvangrijke woningaanpassing?
Een inwoner met aanzienlijke beperkingen, de trap op lukt niet meer en de badkamer is ook te krap. Is verhuizen geen optie, dan compenseert de gemeente met een aanbouw in de koopwoning met slaapkamer en badkamer. Gevolg: een passende woonplek én een waardestijging van de woning.
Dat de inwoner of diens erfgenamen van die waardestijging profiteren, voelt oneerlijk. De gemeente betaalt, de inwoner wordt er financieel beter van. Dat geld zou moeten terugstromen in de gemeentekas om andere inwoners weer te kunnen ondersteunen.
Een aantal gemeenten heeft in de verordening staan dat bij verhuizen binnen bijvoorbeeld 5 jaar, de inwoner (een deel van) de kosten van het pgb terugbetaalt. Een andere variant hierbij is dat de gemeente een deel van de waardestijging vordert.
Helaas, ook in dit geval biedt de Wmo 2015 geen mogelijkheid om dit (terug) te vorderen. Er zijn geen onjuiste gegevens verstrekt. En van opzet is al helemaal geen sprake.
Alleen terugvorderen bij opzet dus, maar wanneer is daarvan sprake?
In een uitspraak uit 2020[3] citeerde de Centrale Raad van Beroep uit de wetsgeschiedenis: opzet is het willens en wetens iets doen. In de Nota[4] bij totstandkoming van de Wmo 2015 staat ook: “Opzet is de meest volledige wilsvorming die achter de gedraging zit.” Iemand moet dus verkeerde gegevens willen doorgeven, het expres of welbewust doen.
Hieronder wat voorbeelden uit de jurisprudentie[5]:
- Het tot twee keer toe bewust verzwijgen van een inwonende partner bij huishoudelijke hulp – terwijl duidelijk is gemaakt dat dit van belang is – kan als opzettelijk worden aangemerkt. Dat is geen vergissing meer, maar willens en wetens informatie achterhouden.
- Een pgb voor professionele zorg dat bewust wordt uitbetaald aan ouders als informele zorgverleners, terwijl dat niet is toegestaan, kan ook als opzet worden gezien.
- De ondersteuning door familie in de eerste graad, terwijl duidelijk is uitgelegd dat dat niet mag, en het vervolgens toch consequent verzwijgen van die relatie, is opzettelijk.
- Het dubbel ontvangen van een pgb, in het algemeen op de inlichtingenplicht wijzen en “had kunnen weten” dat er iets niet klopte, is niet genoeg voor opzet. Daarvoor is meer nodig.
- Het doorgeven van een Wlz-indicatie met de beschikking erbij, waarna de gemeente niets met die informatie doet, is geen opzet als later blijkt dat te veel ondersteuning is verstrekt.
- Soms ziet de rechter dat cliënten simpelweg het overzicht kwijt zijn, bijvoorbeeld bij onlogische of schuivende declaraties. Dan is sprake van slordigheid of onkunde, maar niet van opzet (al kun je dan wel twijfelen aan de pgb-vaardigheden).
Herziening en terugvordering zijn voor een inwoner belastende besluiten. De bewijslast van de opzet ligt daarom bij de gemeente. Je moet als gemeente dus aantonen: wat is er gezegd of verzwegen, wanneer, en waarom leidt dat tot de conclusie dat de cliënt het met opzet heeft gedaan?
Vergeet niet de evenredigheid te toetsen!
Heb je voldoende bewijs verzameld dat de cliënt opzettelijke onjuiste gegevens heeft verstrekt, denk er dan aan de evenredigheid te toetsen. Artikel 2.4.1 Wmo 2015 biedt immers geen noodzaak om terug te vorderen, maar een bevoegdheid. En dus moet de gemeente afwegen of terugvordering evenredig is. Ik verwacht niet dat een rechter bij bewezen opzet snel een terugvordering van tafel veegt of matigt, maar duidelijk is wel: de gemeente moet aantonen dat het deze belangenafweging daadwerkelijk heeft gemaakt. “We hebben beleid, dus we vorderen terug” is onvoldoende.
De kern is daarmee simpel maar streng: zonder opzet geen terugvordering, ook niet als het onrechtvaardig of oneerlijk voelt. Inwoners moeten kunnen rekenen op de juistheid van een eerder genomen besluit!
[1] Nota naar aanleiding van het verslag, Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34, blz. 264
[2] Rechtbank Amsterdam 17-12-2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:8653
[4] Nota naar aanleiding van het verslag, Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34, blz. 264
[5] CRvB 1-2-2023, ECLI:NL:CRVB:2023:209, CRvB 23-3-2022, ECLI:NL:CRVB:2022:724, Rechtbank Zeeland-West-Brabant 9-7-2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:3544, Rechtbank Gelderland 28-3-2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:1396, Rechtbank Gelderland 27-3-2018, ECLI:RBGEL:2018:1372, Rechtbank Limburg 27-8-2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:8354