Moet het pgb een zodanige hoogte hebben dat het de keuze uit meerdere aanbieders of leveranciers mogelijk maakt? Dat is een vraag die veel gemeenten bezighoudt.


De gemeenteraad moet in het beleidsplan aangeven op welke wijze rekening wordt gehouden met keuzemogelijkheden tussen aanbieders voor degenen aan wie een maatwerkvoorziening wordt verstrekt en aan kleine doelgroepen (artikel 2.1.2 lid 4 onderdeel c Wmo 2015).

Gelet op dit artikel en de toelichting daarbij lijkt het de bedoeling dat de cliënt bij een maatwerkvoorziening in natura de keuze moet hebben tussen meerdere aanbieders. Geldt dat ook voor het persoonsgebonden budget (pgb) en moet het college bij de hoogte van het pgb hier rekening mee houden?

In een recente uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant (Rechtbank Oost-Brabant 13-03-2015, nr. 14/2217) komt de keuzevrijheid bij het besteden van het persoonsgebonden budget (pgb) aan de orde. Dit betreft wel een uitspraak onder de Wmo 2007. De rechtbank is van oordeel dat het door het college gehanteerde uurtarief voor het pgb voor hulp bij het huishouden er toe leidt dat cliënt met het aan haar toegekende pgb  alleen dan voldoende wordt gecompenseerd als zij gebruik maakt van één van  de door het college geselecteerde zorgaanbieders. Nog daargelaten dat het verschil tussen kiezen voor zorg in natura (Zin) en een pgb in dat geval vrijwel op hetzelfde neerkomt, is de rechtbank van oordeel dat het college met deze werkwijze feitelijk de keuzevrijheid om het pgb, binnen de daarvoor geldende regels, naar eigen inzicht te besteden, op een onaanvaardbare wijze inperkt.

CRvB-uitspraak

Ik vraag mij af of dit oordeel van de rechtbank bij de CRvB kan standhouden. Uit jurisprudentie van de CRvB onder de Wmo 2007 blijkt dat het pgb niet een zodanige hoogte hoeft te hebben dat het de keuze uit meerdere aanbieders of leveranciers mogelijk maakt (CRvB 19-09-2012, nr. 10/3482 WMO). In deze uitspraak had het college aan de cliënt een persoonsgebonden budget toegekend voor een scootmobiel. De hoogte van het pgb was afgeleid van de in het Kernassortiment Hulpmiddelen van de gemeente opgenomen prijzen. Die prijzen lagen, in verband met een kortingsregeling met de vaste leverancier van de gemeente, 30 procent lager dan de cataloguswaarde, waardoor de cliënt de scootmobiel slechts bij de vaste leverancier van de gemeente kon inkopen. De CRvB oordeelde dat het persoonsgebonden budget op grond van artikel 6 Wmo niet toereikend hoeft te zijn om de geïndiceerde voorziening te kunnen aanschaffen bij iedere door de cliënt gewenste leverancier, ongeacht de prijs die de betreffende leverancier voor die voorziening rekent. Het pgb hoeft dan ook niet een zodanige hoogte te hebben dat het de keuze uit meerdere leveranciers mogelijk maakt.

Misschien heeft de rechtbank Oost-Brabant de uitspraak van de CRvB onder de Wmo 2007 over het hoofd gezien. Ik verwacht in ieder geval niet dat de CRvB zal oordelen dat het pgb een zodanige hoogte moet hebben dat het de keuze uit meerdere aanbieders  of leveranciers mogelijk maakt. De gemeente mag mijns inziens de korting die ze bij haar leverancier(s) heeft bedongen, doorrekenen in de hoogte van het pgb. De cliënt is volledig vrij om het toegekende pgb te besteden bij een aanbieder of leverancier naar keuze.  De extra kosten die de keuze voor een (duurdere) aanbieder of leverancier met zich meebrengt moeten echter uit eigen middelen worden betaald, voor zover het pgb niet voldoende is.

Wmo 2015

Ook onder de Wmo 2015 verwacht ik niet dat de CRvB anders zal oordelen dan in zijn uitspraak onder de Wmo 2007 (CRvB 19-09-2012, nr. 10/3482 WMO).  In artikel 2.1.2 lid 4 onderdeel c Wmo 2015 is net als in de Wmo 2007 (artikel 3 lid 4 onderdelen e en f Wmo) bepaald dat in het beleidsplan aandacht moet worden besteed aan de keuzemogelijkheden voor de gebruikers van alle maatwerkvoorzieningen en met name die voor kleine doelgroepen. In de toelichting op artikel 2.1.2 lid 4 Wmo 2015 (TK 2013-2014, 33 841, nr. 3, p.133), staat het volgende: 

Voor een bij de behoeften van burgers aansluitende ondersteuning lijkt het van groot belang dat de burger aan wie een maatwerkvoorziening wordt toegekend, zoveel mogelijk een bij zijn voorkeuren passende aanbieder kan kiezen of, wanneer die niet door de gemeente is gecontracteerd, met behulp van een persoonsgebonden budget desgewenst zelf een andere partij kan inschakelen om hem te ondersteunen. Tegelijk mag niet uit het oog worden verloren dat het van belang is dat de gemeente uit het oogpunt van kostenbeheersing de mogelijkheid moet hebben slechts aanbieders te contracteren die zo doelmatig mogelijk werken.’

Gelet op deze toelichting lijkt het de bedoeling dat de cliënt bij de voorziening in natura de keuze heeft tussen meerdere aanbieders. Ten aanzien van het pgb staat er dat als de passende aanbieder niet door de gemeente is gecontracteerd, met behulp van een pgb zelf een andere partij kan worden gekozen. Er staat echter niets over dat de hoogte van het pgb deze keuze mogelijk moet maken. Sterker nog, er staat juist aangegeven dat uit het oogpunt van kostenbeheersing de gemeente zelf moet kunnen bepalen welke aanbieders ze contracteren.

Ik verwacht dus ook dat het voor gemeenten onder de Wmo 2015 mogelijk blijft om een besparing op de uitgaven voor pgb’s te laten plaatsvinden door de bij haar leverancier(s) bedongen korting door te rekenen in het pgb.