Wat eerder al door de voorzieningenrechter werd vastgesteld, wordt nu bevestigd door de rechtbank Rotterdam: een beëindigingsbesluit in de schuldhulpverlening is een beschikking. Dat betekent dat de belanghebbende tegen dat besluit bezwaar kan maken en in beroep kan gaan.

Deze zaak is het vervolg op een voorzieningenzaak – zeg maar een bestuursrechtelijk kort geding – van twee cliënten van een gemeente in Zuid-Holland. In die zaak had de gemeente de schuldhulpverlening per brief beëindigd. De voorlopige voorzieningenrechter oordeelde, kort samengevat, dat die brief een beschikking was en bepaalde dat de gemeente de schuldhulpverlening moest hervatten. Dat gebeurde. Toen na die uitspraak echter bleek dat veel schuldeisers niet akkoord wilden gaan met het schuldsaneringsvoorstel, beëindigde de gemeente de schuldhulpverlening opnieuw. En opnieuw – ondanks de uitspraak van de voorzieningenrechter – stelde de gemeente zich op het standpunt dat geen sprake was van een beschikking. Het bezwaarschrift van belanghebbenden werd daarom niet-ontvankelijk verklaard.

Waarom volhardt de gemeente in haar standpunt? Omdat ze de beëindiging van een schuldhulpverleningstraject ziet als een privaatrechtelijke bevoegdheid. De wetgever heeft volgens haar alleen het toelatings- en weigeringsbesluit aangemerkt als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) – en niet (ook) het beëindigingsbesluit. Daarnaast vindt de gemeente dat het ontbreken van eigen beleid over het beëindigen van de schuldhulpverlening maakt dat de beëindiging een privaatrechtelijk karakter heeft, en dus geen handelen op basis van een publieke taak is. Deze argumenten veegt de rechtbank terecht van tafel.

Vereisten beschikking

De beslissing van de gemeente om de schuldhulpverlening te beëindigen voldoet immers wél helemaal aan de definitie van een beschikking: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan die een publiekrechtelijke rechtshandeling inhoudt en niet van algemene strekking is. Dat de gemeente een schriftelijke beslissing heeft genomen, staat vast. De beslissing is ook afkomstig van een bestuursorgaan, namelijk het college van B&W van de gemeente. En de beslissing ziet alleen op deze twee cliënten. Waar het om gaat zijn de woorden ‘publiekrechtelijke’ en ‘rechtshandeling’.

Brief gemeente is rechtshandeling

Een rechtshandeling wijzigt iemands rechtspositie. Iemand krijgt bijvoorbeeld recht op een uitkering of op hulp van de gemeente, of hij moet zijn auto verkopen om met de opbrengst schuldeisers te betalen. Ook de beslissing om een uitkering of de hulp van de gemeente te beëindigen, is een rechtshandeling; de persoon  die eerder nog recht op bijstand of schuldhulpverlening had, heeft dat door de beslissing van de gemeente immers niet meer. De brief van de gemeente is dus een rechtshandeling.

Door Wgs is schuldhulpverlening publiekrechtelijke taak

Dan verder naar het laatste vereiste, het woord ‘publiekrechtelijke’. De rechtbank Rotterdam verwijst in dit kader naar een uitspraak van de Raad van State. Die bepaalt daarin: “Een rechtshandeling is publiekrechtelijk indien het bestuursorgaan de bevoegdheid daartoe ontleent aan een speciaal voor het openbaar bestuur bij of krachtens de wet geschapen grondslag.” De Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) is zo’n grondslag. Kortom,door de inwerkingtreding van de Wgs staat al vast dat de (integrale) schuldhulpverlening een publiekrechtelijke taak is geworden. Dat de gemeente een onderdeel van die publieke taak, het beëindigen van de schuldhulpverlening, niet heeft uitgewerkt in beleid, maakt natuurlijk niet dat de beëindiging van schuldhulpverlening plotseling een privaatrechtelijke handeling wordt.

Rechtbank: beëindigingsbesluit is beschikking

De rechtbank kan daarom niet anders dan het beëindigingsbesluit aanmerken als een beschikking. Dat de wetgever in de Memorie van Toelichting – zoals de gemeente stelt – schrijft dat de beslissing tot het doen van een aanbod of tot het weigeren van schuldhulpverlening een besluit is in de zin van de Awb doet daar niet aan af. De wetgever wil daarmee immers slechts duidelijk maken dat er niet van rechtswege een recht op schuldhulpverlening bestaat. De wetgever bedoelt natuurlijk niet dat alle andere beslissingen in het kader van de schuldhulpverlening – zoals de beëindigingsbeslissing of het intrekkingsbesluit – géén beschikkingen zijn. Het beëindigingsbesluit wordt dus terecht door de rechtbank als beschikking aangemerkt. Dat betekent dat belanghebbenden tegen een beëindigings- of intrekkingsbesluit schuldhulpverlening bezwaar kunnen maken en in beroep kunnen gaan. Gelukkig maar, want anders zou een toekenningsbesluit geen enkele waarde hebben.

Uitspraak teruglezen?

De complete uitspraak is terug te lezen in Grip op Schuldhulpverlening voor abonnees of op Rechtspraak.nl.