Wie vanaf 1 januari 2013 een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd krijgt, valt onder de nieuwe Wet Inburgering. Gezinsvormers, gezinsherenigers… iedereen die voor een niet-tijdelijk doel naar ons land komt, of gaat werken als geestelijke bedienaar, moet inburgeren, tenzij op hem een ontheffing of vrijstelling van toepassing is. De grote wijziging ten opzichte van de oude Wet Inburgering is dat deze mensen zelf verantwoordelijk zijn voor hun inburgering.

Ze moeten er zelf voor zorgen dat ze binnen drie jaar de Nederlandse taal leren en slagen voor het inburgeringsexamen. Hoe ze dat doen, is helemaal aan de mensen zelf. Zelfstudie in de bibliotheek, de buurvrouw om hulp vragen, een studiepakket inkopen, het kan allemaal. Inburgeraars kunnen ook een cursus inkopen, waarvoor ze dan eventueel een lening (maximaal 5.000 euro) kunnen krijgen bij de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), die qua voorwaarden ongeveer op dezelfde manier werkt als studiefinancieringsleningen.

Voordat iemand naar Nederland komt, wordt hij geacht in het land van herkomst een inburgeringsexamen af te leggen, dat tegenwoordig ook een toets geletterdheid en begrijpend lezen omvat. In principe is iedereen die naar Nederland komt dus gealfabetiseerd. Analfabete asielzoekers vormen hierop een uitzondering. Zij kunnen maximaal tienduizend euro lenen en daarmee naast een inburgeringscursus ook een alfabetiseringscursus inkopen. In het regeerakkoord hebben de partijen afgesproken dat asielgerechtigden die onder de nieuwe Wet Inburgering vallen deze sociale lening niet terug hoeven te betalen als ze op tijd het examen halen.

Om ervoor te zorgen dat nieuwe medelanders hun eigen verantwoordelijkheid op het gebied van inburgering ook nemen, zijn de boetes voor het niet op tijd voldoen aan de inburgeringsplicht flink verhoogd. Verder probeert de regering inburgering te koppelen aan verblijfsvergunningen, met de bedoeling om die verblijfsvergunningen te kunnen intrekken als iemand niet op tijd is ingeburgerd. Dit voornemen zal in de praktijk in veel gevallen afstuiten op het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, en met name op het recht op ‘family life’: je kunt niet zomaar iemand het land uit sturen als zijn familie hier achterblijft.

De nieuwe Wet Inburgering 2013 geldt alleen voor inburgeringsplichtigen. Het sociale leenstelsel wordt echter ook beschikbaar gemaakt voor vrijwillige inburgeraars. Denk bijvoorbeeld aan Oost-Europeanen, die vanwege het Europese recht niet inburgeringsplichtig zijn, maar van wie de regering wel graag wil dat ze Nederlands leren.

Wat blijft er voor gemeenten nog te doen op het gebied van inburgeren? Gemeenten moeten afmaken waarmee ze op 31 december 2012 bezig waren. Dat betekent het handhaven van inburgeringsplichtigen van wie de inburgeringstermijn al voor 1 januari 2013 is begonnen, door in de gaten te houden of ze voldoen aan de inburgeringsplicht en door eventueel boetes op te leggen. Verder is er een beperkte groep mensen aan wie gemeenten nog een aanbod van een inburgeringsvoorziening moeten doen in het kader van een overgangsregeling: asielzoekers en geestelijke bedienaren die vóór 1 januari 2013 inburgeringsplichtig zijn geworden en die nog geen aanbod hebben gehad. Daarnaast moeten gemeenten de afspraken die ze vóór 2013 hebben gemaakt met vrijwillige inburgeraars nakomen en afmaken. In Kluwer Schulinck’s Grip op Inburgering vindt u informatie over de nieuwe Wet inburgering en alles over wat gemeenten op grond van de oude Wet inburgering nog moeten doen.