Huisartsen mogen jeugdigen en hun ouders naar jeugdhulp verwijzen. De gemeente heeft in deze gevallen een zogenaamde leveringsplicht. Zij moet ervoor zorgen dat de jeugdhulp na verwijzing van de huisarts toegankelijk is en zij dient de jeugdhulp te financieren. De huisarts hoort zich bij de verwijzing te houden aan de afspraken hierover met de gemeente. Hij dient om die reden alleen te verwijzen naar door de gemeente gecontracteerde jeugdhulp. Maar wat gebeurt er als een huisarts naar niet door de gemeente gecontracteerde jeugdhulp verwijst? Moet de gemeente die hulp dan ook betalen?

Op het moment dat een huisarts de jeugdige of de ouders naar een niet-gecontracteerde jeugdhulpaanbieder verwijst, hoeft de gemeente de jeugdhulp in principe niet te betalen. Dit is enkel anders als de gemeente geen passend aanbod heeft gecontracteerd. De jeugdige of ouders kunnen dan wel een verzoek om een pgb bij de gemeente indienen. Met dit pgb kan de hulp van de niet-gecontracteerde jeugdhulpaanbieder dan worden ingekocht, mits aan de voorwaarden voor een pgb wordt voldaan.

Verzoek om pgb na verwijzing huisarts

Nu komt het in de praktijk voor dat een huisarts verwijst naar niet-gecontracteerde hulp en dat de gemeente, die op zich een passend alternatief heeft, pas als de jeugdhulp al is ingezet, het verzoek krijgt om tot betaling over te gaan. Dit was ook het geval in een zaak die recent speelde voor de rechtbank Oost-Brabant (ECLI:NL:RBOBR:2020:1761). De gemeente ontving na afronding van de jeugdhulp een factuur van de jeugdhulpaanbieder voor de “bewezen diensten”. Er was door de jeugdige of de ouders nooit om een pgb verzocht.

Een huisarts verwijst, maar de gemeente bepaalt door welke partij de hulp wordt ingezet

De gemeente hoefde van de rechtbank de factuur niet te betalen omdat er geen rechtsrelatie (door bijvoorbeeld een contract) tussen de gemeente en de aanbieder bestond. Aanspraak op een pgb kan alleen bestaan door een beslissing daartoe van het college. Een huisarts bepaalt namelijk, zo benadrukt de rechtbank, enkel dat er jeugdhulp moet worden verleend en welke (soort) jeugdhulp moet worden verleend (noodzakelijke hulp). Het is echter de gemeente die de regie heeft over door welke partij de hulp wordt ingezet.

Vergoeding met terugwerkende kracht?

In bovenstaande uitspraak was er geen verzoek voor toekenning van een pgb binnengekomen. Zou de situatie anders voor de gemeente hebben uitgepakt als er wel een verzoek om een pgb zou zijn gedaan? En zou het dan hebben uitgemaakt of de jeugdhulp nog  zou hebben gelopen op het moment van dit verzoek of dat het, zoals in bovenstaande zaak het geval was, al zou zijn afgerond?

Onder de Wmo 2007, die een vergelijkbare structuur en opbouw als de Jeugdwet kent, zijn er in de rechtspraak twee situaties onderscheiden: het geval waarin de voorziening al is geplaatst of afgerond en de situatie waarin de voorziening nog niet geheel is gerealiseerd ten tijde van de aanvraag bij de gemeente. Wat deze laatste situatie betreft gold dat het college de voorziening dan alsnog moest toekennen als het nog kon vaststellen dat deze noodzakelijk en passend was (CRvB 11-5-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6485). Was er (de eerste situatie) op het moment van de Wmo-aanvraag al een voorziening getroffen, dan hoefde er niets meer te worden toegekend. Dat hoefde dan ook niet in de vorm van een pgb. Het probleem dat zich aanvankelijk had voorgedaan, deed zich immers op het moment van de aanvraag al niet meer voor (CRvB 08-02-2017, ECLI:NL:CRVB:2017:433).

Volg je de hierboven uiteengezette lijn, dan zou je kunnen stellen dat een pgb kan worden toegekend voor reeds ingezette (en nog lopende) jeugdhulp als ouders na verwijzing door de huisarts zich (te) laat bij de gemeente melden voor een pgb. De noodzaak van de hulp staat dan immers, gezien de verwijzing door de huisarts, vast. Bij de Wmo 2007-uitspraken ging het echter altijd om materiële voorzieningen, zoals een reeds gekochte maar nog niet geplaatste traplift. Dergelijke situaties verschillen van de diensten die als jeugdhulp kunnen worden aangeboden in die zin dat het hele jeugdhulptraject misschien nog niet is voltooid op het moment van de aanvraag , maar dat de losse sessies al wel zijn afgerond. Voor dat stukje van de hulpvraag zou je dan ook kunnen beargumenteren dat dit al is ‘opgelost’ en dat hier dus geen voorziening meer voor hoeft te worden verstrekt.

Verder is het ook nog zo dat in de Jeugdwet, anders dan onder de Wmo 2007, de eigen verantwoordelijkheid onder de noemer “eigen kracht” een belangrijke plaats inneemt. Als je het doen van een tijdige pgb-aanvraag bij de gemeente als de eigen verantwoordelijkheid van de jeugdige en/of ouders ziet, dan is er geen reden om bij een latere melding met terugwerkende kracht tot vergoeding over te gaan. Onder de Wmo 2007 is overigens ook al rechtspraak verschenen waaruit je zou kunnen afleiden dat er belang aan de eigen verantwoordelijkheid van cliënten moest worden gehecht daar waar het ging om het tijdig indienen van een aanvraag (ECLI:NL:CRVB:2014:567).

Aan de andere kant hebben de jeugdige of de ouders zich wel tijdig tot de huisarts gewend en dus tijdig hulp gezocht. Ze hebben actie ondernomen, maar zij hebben zich niet direct tot de juiste instantie gewend om aanspraak op een pgb te maken. Ik vraag mij af of de jeugdige of de ouders, die pas op een later moment voor een vergoeding bij de gemeente aankloppen, zich wel realiseren dat de hulp waarnaar de huisarts hen verwijst niet altijd automatisch ook aan hen zal worden vergoed.

Conclusie

Of er na verwijzing door een huisarts naar niet-gecontracteerde jeugdhulp met terugwerkende kracht een pgb kan worden toegekend als de jeugdhulp op het moment van het pgb-verzoek nog loopt, is niet geheel duidelijk. Toekomstige rechtspraak zal hopelijk voor meer duidelijkheid zorgen. Om financiële teleurstellingen te voorkomen, is het naar mijn mening belangrijk dat de jeugdige of de ouders bewust worden gemaakt van de rolverdeling tussen de huisarts en de gemeente in deze. Colleges hebben de wettelijke plicht om onder andere over de gevolgen van deze rolverdeling afspraken met huisartsen te maken. Het lijkt mij raadzaam dat colleges in deze overleggen ook met de huisartsen bespreken hoe zij het beste zouden kunnen handelen bij een verwijzing naar een niet-gecontracteerde aanbieder. Huisartsen zouden er naar mijn mening namelijk verstandig aan doen om hun patiënten er in die gevallen op te wijzen dat zij zich tijdig bij de gemeenten moeten melden als ze voor een vergoeding van de hulp middels een pgb in aanmerking willen komen. Verder kunnen gemeenten in hun verordening vaak nog verduidelijken hoe zij om willen gaan met het vergoeden van jeugdhulp met terugwerkende kracht. Mijn advies zou zijn dat gemeenten (meer) gebruik maken van deze mogelijkheid. Bij (meer) duidelijkheid in dit verband, zijn uiteindelijk namelijk alle partijen gebaat.