Om een bijstandsuitkering te kunnen krijgen moet een aanvraag worden ingediend. Per 1 januari 2026 kan een aanvraag ook digitaal via DigiD als de gemeente deze mogelijkheid geeft.

In de praktijk en ook tijdens de opleiding ‘het maken van een juridisch juist besluit binnen de Participatiewet’ worden vaak vragen gesteld over wanneer er sprake is van een aanvraag. En moet er niet eerst een melding worden gedaan? En vanaf wanneer bestaat er dan recht op een uitkering?

Reden om in deze opinie nog eens goed uit te leggen wat een aanvraag is en wanneer er sprake is van een melding.

Ook wordt ingegaan op de vraag of een melding verplicht is en welk probleem zich kan voordoen bij een digitale aanvraag aan de hand van een uitspraak van de CRvB.  In deze uitspraak wordt duidelijk dat er ook sprake kan zijn van een aanvraag ook al heeft het ingediende formulier de naam “melding bijstand”.

Bijstandsaanvraag

Een aanvraag is een verzoek, schriftelijk of digitaal, aan de gemeente om een besluit te nemen. Zie artikel 1:3 lid 3 Algemene wet bestuursrecht (Awb). In het geval van bijstand dus een verzoek om een bijstandsuitkering.

Een aanvraag moet worden ondertekend en bevat ten minste:

  • de naam en adres van de aanvrager
  • de dagtekening
  • een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd

Zie daarvoor artikel 4:2 lid 1 Awb.

Melding

Een melding is het eerste moment waarop een belanghebbende om bijstand vraagt. Een melding kan gedaan worden bij de gemeente of bij het UWV. Dit in verband met de samenwerkingen die er zijn tussen gemeenten en UWV.

Als de melding en de aanvraag op dezelfde dag worden gedaan of de aanvraag is ook de melding, dan is er geen enkel probleem voor wat betreft de datum waarop de bijstandsuitkering ingaat. Maar dit ligt anders als er tijd tussen de melding en de aanvraag zit.

Verschil tussen een melding en een aanvraag is van belang voor de ingangsdatum van de uitkering

De datum melding kan een andere dag zijn dan de dag waarop een aanvraag wordt ingediend. De datum melding is in dat geval van belang, omdat er recht bestaat op een bijstandsuitkering vanaf de dag van melding. Dat staat in artikel 44 Participatiewet (Pw).

Bijvoorbeeld:
Giovanni meldt zich op 20 februari 2026 bij het UWV en geeft aan een uitkering nodig te hebben. Omdat niet duidelijk is of hij recht heeft op een WW-uitkering dient hij op 22 februari 2026 ook een aanvraag voor een bijstandsuitkering in bij de gemeente. Giovanni blijkt geen recht te hebben op een WW-uitkering, maar wel recht op een bijstandsuitkering. De bijstandsuitkering gaat in met ingang van 20 februari. De dag waarop hij de melding heeft gedaan.

Stel nu dat Giovanni een maand wacht met het indienen van een aanvraag na de datum melding. Dan loopt hij het risico dat zijn bijstandsuitkering pas ingaat per datum aanvraag, omdat de aanvraag zo spoedig mogelijk moet worden ingediend na de melding. Alleen als deze late melding Giovanni niet kan worden verweten, zal het college uitgaan van de datum melding.

Moet er een melding worden gedaan voordat er een aanvraag kan worden ingediend?

Nee, want dat staat niet in de wet: niet in de Participatiewet en ook niet in de Awb. De gemeente mag dus ook niet eisen dat er eerst een melding wordt gedaan alvorens er een aanvraag wordt ingediend. Als er sprake is van een aanvraag moet het college een besluit nemen op die aanvraag. Het gaat erom of de inhoud van het verzoek moet worden gezien als een aanvraag. Het maakt daarbij ook niet uit wat de titel van een (digitaal) formulier is: aanvraag of melding. Op dat punt wordt hieronder ingegaan.

 

Let op: tekst loopt door onder afbeelding.

Schulinck Participatiewet

In de kennisbank Schulinck Participatiewet vindt u alle informatie die u nodig heeft om de inwoners van uw gemeente verder te helpen.

Digitaal formulier “melding” is toch een aanvraag

In CRvB 16-09-2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1381 heeft een belanghebbende een digitaal formulier “melding bijstand” ingevuld op de website van een gemeente om een bijstandsuitkering aan te vragen. De gemeente stelt zich op het standpunt dat:

  1. Belanghebbende zich eerst (bij het UWV) had moeten melden en nu dit niet gebeurd is dat er van een aanvraag geen sprake kan zijn.
  2. Er pas sprake is van een aanvraag om bijstand nadat belanghebbende – na het invullen en indienen van het formulier “Melding bijstand” én een formulier “Aanvraag bijstand” een extra emailbericht van het college ontvangt waarin de aanvraag is bevestigd.

De CRvB geeft het college ongelijk en oordeelt dat beide standpunten onjuist zijn.
Er is namelijk geen wettelijke plicht om eerst een melding te doen (bij het UWV). Er is in deze zaak sprake van een aanvraag, omdat het ingevulde formulier “melding bijstand”:

  • een verzoek bevat om een besluit te nemen (artikel 1:3 lid 3 Awb) en
  • voldoet aan de eisen van artikel 4:2 lid 1 Awb.

Dat het formulier als titel “melding bijstand” heeft doet er niet toe.

Dat het formulier als titel “melding bijstand” heeft doet er niet toe. Ook voor het standpunt zoals genoemd onder punt 2 is geen wettelijke grondslag te vinden.

De CRvB oordeelt dat het college ten onrechte het door belanghebbende ingediende formulier “melding bijstand” niet heeft aangemerkt als aanvraag. Of er sprake is van een aanvraag om bijstand hangt dus niet af van de omvang van het aanvraagformulier en ook niet van de hoeveelheid gevraagde stukken. Mogelijk, zegt de CRvB, was er sprake van een onvolledige aanvraag. Maar als de aanvraag niet voldoet aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen daarvan, had het college de aanvraag buiten behandeling kunnen laten nadat een hersteltermijn was geboden. Het college heeft geen toepassing gegeven aan artikel 4:5 lid 1 Awb en heeft ten onrechte het formulier “Melding bijstand” niet als aanvraag aangemerkt.

Conclusie

Een melding is dus niet nodig voorafgaande aan een aanvraag. En als er wel een melding is gemaakt en de aanvraag pas veel later wordt gedaan dan is het goed te kijken naar de reden waarom dit pas zo laat is gebeurd en of dit belanghebbende kan worden verweten. De uitspraak van de CRvB laat zien hoe belangrijk het is om goede kennis te hebben van de Awb bij de uitvoering van de Pw.

Daarnaast kan de gemeente nog bekijken of er individuele omstandigheden zijn die ertoe noodzaken bijstand met terugwerkende kracht te verlenen. Dit staat in artikel 44 lid 5 Pw. Sinds de inwerkingtreding van de Participatiewet in balans per 1-1-2026 is het mogelijk om bijstand met terugwerkende kracht te verstrekken. De terugwerkende kracht geldt voor maximaal 3 maanden.