Blik op Werk (BoW) is een stichting die een keurmerk afgeeft aan aanbieders van onderwijs, gericht op het voldoen aan de inburgeringsplicht. BoW kan dergelijke cursusinstellingen het keurmerk ook weigeren en hun keurmerk intrekken. In een belangrijke uitspraak van 9 maart 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:696) heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak geoordeeld dat tegen een schriftelijke beslissing over het BoW-keurmerk bezwaar kan worden gemaakt en beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank. De uitspraak van de Afdeling gaat over een zaak uit de periode waarin de nieuwe Wet inburgering 2021 nog niet van toepassing was. Met toepassing van het recht vanaf 1 januari 2022 zou de Afdeling evenwel tot eenzelfde oordeel zijn gekomen. Dat zal ik in deze opinie toelichten. In deze opinie zal ik ook (a) ingaan op de vraag of een cursusinstelling bestuursrechtelijke rechtsmiddelen heeft tegen een besluit tot toekenning van het BoW-keurmerk aan een andere cursusinstelling en (b) aandacht geven aan het plan van ‘Den Haag’ om BoW toezichthouder in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te maken.

Blik op Werk en haar keurmerk-beslissingen

Onder de Wet inburgering 2021 is het bestuur van de stichting BoW bestuursorgaan en zijn diens beslissingen over het BoW-keurmerk vatbaar voor bezwaar en beroep. Dat zal ik in onderstaande 4 stapjes toelichten.

1. Het BoW-keurmerk is van groot (financieel) belang

Cursusinstellingen hebben een groot (financieel) belang bij het BoW-keurmerk. Het maakt namelijk een groot verschil of zij met of zonder het keurmerk inburgeringscursussen verzorgen. Met de keurwerk-status worden, onder de Wet inburgering 2021, de diensten van een cursusinstelling vatbaar voor financiering door de overheid, en wel op tweeërlei wijze:

  1. Gezinsmigranten hebben recht op een lening van DUO om de inburgeringscursussen bij een cursusinstelling met het BoW-keurmerk te betalen.
  2. Gemeenten sluiten alleen met cursusinstellingen met het BoW-keurmerk contracten. Inburgeringscursussen bij een gecontracteerde cursusinstelling worden voor asielstatushouders bekostigd door de gemeente.

Voor beide vormen van financiering van de cursusinstellingen – via DUO of via de gemeente – geldt als vereiste dat de cursusinstelling het BoW-keurmerk heeft. Dat de fase van contracteren met de gemeente inmiddels achter de rug is, maakt niet dat er geen financieel belang bij het BoW-keurmerk meer is.

2. Daarmee heeft het BoW-keurmerk rechtsgevolg

Met het hierboven geschetste (financiële) belang is gegeven dat het BoW-keurmerk ‘rechtsgevolg’ heeft, zoals dat in juridische bewoordingen wordt aangeduid. In andere woorden: Het keurmerk bepaalt eenzijdig de rechtspositie van de cursusinstelling, ofwel: de rechten van de cursusinstelling.

3. Blik op Werk is bestuursorgaan

Die rechtspositie van de cursusinstelling wordt onder de Wet inburgering 2021 in het leven geroepen door BoW – die immers het keurmerk toekent, weigert of intrekt. Alleen BoW kan het keurmerk toekennen. Het voorgaande maakt dat (het bestuur van) de stichting BoW op grond van de vigerende inburgeringswetgeving openbaar gezag heeft verkregen en derhalve bestuursorgaan is in de zin van artikel 1:1 lid 1 onderdeel b van de Awb.

4. Schriftelijke beslissing over BoW-keurmerk is besluit

Nu BoW bestuursorgaan is, is de schriftelijke beslissing tot weigering of intrekking van het keurmerk een besluit in de zin van artikel 1:3 lid 1 van de Awb waartegen bezwaar kan worden gemaakt en beroep bij de rechtbank kan worden ingesteld. Hetzelfde geldt voor de schriftelijke beslissing tot toekenning van het keurmerk. En dan rijst de vraag of concurrerende cursusinstellingen bezwaar kunnen maken of beroep bij de rechtbank kunnen instellen tegen de toekenning van het BoW-keurmerk aan een andere cursusinstelling. Daar ga ik in het volgende onderdeeltje op in.

Met toepassing van het recht vanaf 1 januari 2022 zou de Afdeling Bestuursrechtspraak tot eenzelfde oordeel zou zijn gekomen.

Kunnen ook de concurrenten bezwaar maken?

Bestuursrechtelijke rechtsmiddelen staan open voor belanghebbenden bij het besluit.1 De bezwaarmaker / indiener van het beroep moet een rechtstreeks belang bij het besluit hebben2: een eigen, objectief bepaalbaar, voldoende actueel, persoonlijk en rechtstreeks getroffen belang. Duidelijk is dat de cursusinstelling waaraan een weigeringsbesluit is gericht, belanghebbende is. Maar wat als de ene – laten we zeggen: bonafide – cursusinstelling bezwaar maakt tegen een besluit tot toekenning van het BoW-keurmerk aan een andere / concurrerende – laten we zeggen: malafide – cursusinstelling in dezelfde stad, althans de nabije omgeving? Is die bonafide cursusinstelling nu belanghebbende? Heeft die bonafide cursusinstelling wel een rechtstreeks belang? Of heeft die cursusinstelling slechts een zogeheten – parallel lopend – afgeleid belang en is ze zelf geen belanghebbende? Als ik de conclusie van advocaat-generaal Widdershoven over het leerstuk van afgeleid belang3 en de daarin genoemde vuistregels volg, zou de bonafide cursusinstelling in mijn ogen op grond van vuistregel nummer 3 als belanghebbende kunnen worden aangemerkt bij een toekenningsbesluit dat is gericht tot de malafide cursusinstelling. Vuistregel 3 houdt in dat (het hebben van slechts een) afgeleid belang niet aan een derde zou moeten worden tegengeworpen als de betrokkenheid van zijn rechts- of belangpositie bij het besluit een zelfstandige aanspraak op rechtsbescherming rechtvaardigt.

Blik op Werk wordt waarschijnlijk toezichthouder

BoW is wel bestuursorgaan, maar dat betekent niet dat BoW door dat enkele feit toezichthoudende bevoegdheden heeft in de zin van de Awb, zoals het vorderen van inlichtingen en het vorderen van inzage in identiteitsbewijzen. Voor die toezichthoudende bevoegdheden is een wetswijziging nodig. BoW is op dit moment eigenlijk een tandeloze tijger en als de cursusinstelling niet aan een audit meewerkt kan BoW alleen het keurmerk intrekken. Maar in de Verzamelbrief inburgering van 18 oktober 20214 schreef de staatssecretaris van SZW dat hij nadere uitwerking zou geven aan de mogelijkheid om BoW in wetgeving aan te wijzen als instantie die belast is met het toezicht op de cursusinstellingen5, waaruit dan de daarbij behorende bevoegdheden uit de Awb volgen. Voor een dergelijke wetswijziging wordt een doorlooptijd van ten minste 18 maanden aangehouden, zo voegde hij er aan toe.

Conclusie

Onder de Wet inburgering 2021 is het bestuur van de stichting BoW bestuursorgaan en zijn diens beslissingen over het BoW-keurmerk vatbaar voor bezwaar en beroep. Een cursusinstelling kan in mijn ogen bezwaar maken en beroep instellen tegen een besluit tot toekenning van het BoW-keurmerk aan een andere cursusinstelling in de nabije omgeving. Het zal nog wel even duren vooraleer BoW wordt aangewezen als toezichthouder in de zin van de Awb, vanwege de doorlooptijd die bij dergelijke wetswijzigingen wordt aangehouden.

 

Altijd op de hoogte zijn van de nieuwste uitspraken in het sociaal domein? Dat kan met een abonnement op onze online kennisbank Schulinck Participatiewet, Wmo, Jeugd, Inburgering of Schuldhulpverlening.

 

1 Artikel 7:1 van de Awb en artikel 8:1 van de Awb

2 Artikel 1:2 van de Awb

3 CRvB 7 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3474

4 Kamerstukken II, 2021/22, 32 824, 349

5 Vergelijk artikel 5:11 van de Awb