Wie wil er nu niet in een rustige omgeving wonen? Inderdaad, je mag aannemen dat vrijwel iedereen daar de voorkeur aan geeft. Een verstoring van deze rust door het geluid afkomstig van een warmtepomp is daarom, zoals gebleken, niet gewenst. Om toch een leefbare situatie te creëren, gelden vanaf 1 april 2021 nieuwe geluidseisen voor installaties voor warmte- of koudeopwekking. Deze eisen gelden echter niet voor alle installaties. Ook in die gevallen bestaat de wens om een rustige woonomgeving te creëren. Welke mogelijkheden heeft de gemeente hiervoor en waar moet de gemeente in dat kader rekening mee houden? Dat weet je na het lezen van deze opinie.

Stappenplan

  1. Bepaal of je te maken hebt met een nog te bouwen bouwwerk, een bestaande woning of een nog te plaatsen installatie voor warmte- of koudeopwekking. Heb je met geen van de drie opties te maken, ga dan naar stap 2.
  2. Gaat het om een bestaande installatie? Pak eventuele geluidsoverlast door de installatie dan aan door het opleggen van een verplichting tot het treffen van voorzieningen (artikel 13 Woningwet) of door handhavend op te treden vanwege overmatige hinder (artikel 7.22 Bouwbesluit 2012).

Hieronder volgt de toelichting op het stappenplan.

Nieuwe geluidseisen voor installaties voor warmte- of koudeopwekking

De geluidseisen voor installaties voor warmte- of koudeopwekking zijn gewijzigd en per 1 april 2021 in werking getreden (Stb. 2020, 189) Wat betekent deze wijziging voor de praktijk?

  1. Een installatie voor warmte- of koudeopwekking mag maximaal 40 dB(A) veroorzaken op de perceelgrens met het aangrenzend perceel waar een woonbestemming geldt (artikel 3.8 lid 2 Bouwbesluit 2012). Met deze eis wordt vooral beoogd om de buitenruimten van woningen (tuin/balkon) op aangrenzende percelen te beschermen tegen geluid in de zomermaanden. Deze eis heeft geen betrekking op de installatie zelf, maar op de toepassing ervan (denk aan het omkasten van de installatie).
  2. Een installatie voor warmte- of koudeopwekking mag op hetzelfde perceel ter plaatse van een nog te openen raam of deur van een naastgelegen woonfunctie maximaal 40 dB(A) veroorzaken (artikel 3.9 lid 3 Bouwbesluit 2012). Met deze eis wordt niet alleen beoogd om een buitenruimte (balkon) te beschermen tegen geluid, maar ook een eventueel te openen raam. Deze eis heeft betrekking op de installatie zelf.

De regels gelden dus voor:

  • nog te bouwen bouwwerken;
  • bestaande woningen; en
  • nog te plaatsen installaties.

Voor de bepaling van het geluidniveau wordt de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai (HMRI) aangewezen (artikel 3.8 lid 2 en artikel 3.9 lid 3 Bouwbesluit 2012). In de Regeling Bouwbesluit worden aanvullende bepalingen opgenomen voor het gebruik van deze handleiding (artikel 1.5 Bouwbesluit 2012).

Bestaan er mogelijkheden om op te treden tegen geluidsoverlast afkomstig van bestaande  installaties voor warmte- of koudeopwekking? Ja, die zijn er!

Uit het voorgaande volgt dat de nieuwe geluidseisen geen betrekking hebben op installaties die vóór 1 april 2021 zijn geplaatst. Bestaan er mogelijkheden om ook tegen deze (bestaande) installaties op te treden? Ja, die zijn er!

Woningwet

Op grond van artikel 13 Woningwet kan het college de eigenaar van een gebouw of een bouwwerk verplichten voorzieningen te treffen om de staat van het bouwwerk op een niveau te krijgen dat hoger is dan het niveau neergelegd in de voorschriften in het Bouwbesluit 2012. Deze eisen mogen echter niet hoger zijn dan de eisen die in het Bouwbesluit 2012 voor nieuwbouw gelden. Aangezien het Bouwbesluit 2012 niets regelt over bestaande installaties, kan deze bepaling uitkomst bieden.

Als de voorzieningen geen onderdeel zijn van een onderhoudsplan voor een gebouw (artikel 13 sub a Woningwet jo. artikel 12d lid 1 Woningwet), dan moet het college motiveren dat de voorzieningen noodzakelijk zijn (artikel 13 sub b Woningwet). Deze motivering moet uit het volgende bestaan:

  • Waarom het door het Bouwbesluit 2012 voorgeschreven kwaliteitsniveau voor het betreffende bestaande bouwwerk in de concrete situatie niet toereikend is. In dit geval gelden de strenge geluidseisen niet voor bestaande installaties.
  • Waarom het noodzakelijk is om aanvullende voorzieningen te treffen. In dit geval zal de motivering kunnen zijn dat zonder de aanvullende voorzieningen, geen sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Het bevoegd gezag zou dit kunnen vastleggen in beleidsregels.

Een aanvullende voorziening zou in dit geval kunnen zijn dat de eigenaar van de bestaande installatie een omkasting rondom de installatie moet maken. Mocht deze verplichting niet worden uitgevoerd, dan is sprake van een overtreding en is het college bevoegd een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te leggen (artikel 125 Gemw jo. artikel 5:32 lid 1 Awb).

Bouwbesluit 2012

Naast artikel 13 Woningwet bevat artikel 7.22 Bouwbesluit 2012 ook een mogelijkheid om op te treden tegen bestaande installaties. Het gaat hier om een restbepaling en het kan alleen worden toegepast als de andere bepalingen uit het Bouwbesluit 2012 geen soelaas bieden.

Het artikel biedt een grondslag om handhavend op te treden als naar het oordeel van het college, optreden tegen het plaatsen van voorwerpen of het gebruiken van werktuigen in, op of aan een bouwwerk, open erf of terrein vanwege gevaarzetting, dreigende aantasting van de volksgezondheid of overmatige hinder noodzakelijk is. In het geval van geluid afkomstig van installaties voor warmte- of koudopwekking zal het gaan om overmatige hinder. Dat hiervan sprake is, moet het college  vaststellen (zie o.m. ECLI:NL:RVS:2020:3005).

Als overmatige hinder is vastgesteld, dan is sprake van een overtreding en is het college bevoegd een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom op te leggen (artikel 125 Gemw jo. artikel 5:32 lid 1 Awb).

Aanvulling Bouwbesluit 2012 door APV

In dit geval is sprake van hogere regelgeving dat optreden tegen geluidsoverlast afkomstig van installaties voor warmte- of koudopwekking regelt. De gemeenteraad heeft dus niet de bevoegdheid (artikel 149 jo. artikel 108 lid 1 Gemw) om bij verordening hierover regels te stellen die vervolgens verder worden uitgewerkt in beleid(sregels). Dit is in strijd met de hogere regelgeving waarin dezelfde rechtsbelangen worden beschermd.

Illegaal geplaatste installatie

Het is mogelijk dat de installatie voor warmte- of koudopwekking voorheen illegaal is geplaatst. Mocht dit het geval zijn, dan zal de eigenaar van de installatie een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de installatie moeten indienen. In dat geval zal het college in ieder geval moeten toetsen of aan de nieuwe geluideisen voor installaties wordt voldaan. Het optreden op grond van artikel 13 Woningwet of artikel 7.22 Bouwbesluit 2012 is dan niet meer direct aangewezen.

Let bij het beoordelen van de aanvraag wel op dat de nieuwe geluidseisen alleen zien op de geluidbelasting op de perceelsgrens van het naastgelegen perceel met een woonbestemming. Het ziet niet op het geluid op de gevel. Het is daarom van belang dat bij de beoordeling of sprake is van een goed woon- en leefklimaat, ook rekening wordt gehouden met het geluidniveau op de gevel van de desbetreffende woning.

Conclusie

De nieuwe geluidseisen in het Bouwbesluit 2012 gelden niet voor bestaande installaties voor warmte- of koudeopwekking. Gelukkig ben je er nu achter gekomen dat er ook in dat geval mogelijkheden zijn om op te treden tegen geluidsoverlast afkomstig van deze installatie. Bij het niet voldoen aan een opgelegde verplichting (artikel 13 Woningwet) of als sprake is van overmatige hinder (artikel 7.22 Bouwbesluit 2012), is sprake van een overtreding waartegen handhavend kan worden opgetreden.

 

Wil je op de hoogte worden gehouden van ontwikkeling binnen het omgevingsrecht? En wil je ook weten wat de juridische mogelijkheden met betrekking tot jouw vraagstuk zijn? Neem dan een kijkje in onze kennisbank Schulinck Omgevingsrecht. Nog geen klant? Vraag dan een gratis proefabonnement aan.