Huisvestingstaakstelling
Gemeenten krijgen ieder jaar een concrete huisvestingstaakstelling die gebaseerd is op artikel 28 van de Huisvestingswet 2014. Op grond van dit artikel zijn gemeenten verantwoordelijk voor het zoeken naar een passende woonruimte voor statushouders (voormalige asielzoekers die een (tijdelijke) verblijfsvergunning hebben gekregen). De rijksoverheid bepaalt elk half jaar het aantal statushouders dat elke gemeente moet huisvesten: de gemeentelijke taakstelling. Zie ook de Schulinck kennisbank inburgering.
Vroege start
Deze huisvestingstaakstelling is nauw verbonden met het moment waarop gemeenten kunnen beginnen met de uitvoering van de Wet inburgering 2021: de brede intake, het PIP met hierin een leerroute, het aanbod voor een inburgeringstraject. Want hoewel de definitie van het begrip ‘college’ in artikel 1 van de Wet inburgering 2021 daar niet op wijst, moet deze definitie blijkens de Memorie van Toelichting zo worden verstaan dat het bij een inburgeringsplichtige met een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd gaat om de gemeente waaraan het COA de inburgeringsplichtige gekoppeld heeft om er na zijn verblijf in het AZC te worden gehuisvest. Volgens deze uitleg van het begrip ‘college’ mag het college van de zogenoemde koppelgemeente al aan de slag gaan zodra de statushouder aan de gemeente is gekoppeld. Zo kunnen statushouders al in het AZC starten met hun inburgering. Dit laatste wordt de vroege start genoemd. Zoals minister Faber dat nog deed in een brief van 16 april 2025 aan de Tweede Kamer¹, heeft de regering jarenlang verkondigd deze vroege start belangrijk te vinden.
Maar het lijkt erop dat de regering niet langer veel belang hecht aan de vroege start. Want de regering wil de huisvestingstaakstelling afschaffen. En daarmee dreigt de vroege start ook teloor te gaan. Als straks de huisvestingstaakstelling wordt afgeschaft, dan wordt, zoals het er nu naar uitziet, de BRP-inschrijving na huisvesting bepalend voor welke gemeente de brede intake gaat uitvoeren, een PIP gaat vaststellen en een leerroute gaat aanbieden en start de inburgeringstermijn niet zolang de inburgeringsplichtige in een AZC verblijft. Dit laatste is gebleken bij de behandeling van de Wet nieuwe regels inzake huisvesting vergunninghouders in de Tweede Kamer: het staat opgetekend in de Nota naar aanleiding van het verslag.²
Maar het lijkt erop dat de regering niet langer veel belang hecht aan de vroege start.
Exit voordelen vroege start
Aan de vergoeding van reiskosten van inburgeringsplichtigen die al in een AZC beginnen met het inburgeringstraject³ – een vergoeding waarover lang getouwtrek is geweest – zal bij teloorgang van de vroege start ook een einde komen. Ook voordelen van de vroege start voor inburgeringsplichtige AZC-bewoners en (financiële) voordelen van de vroege start voor gemeenten zullen verdwijnen. Een aantal voordelen staat beschreven in mijn opinie van 19 april 2023 met de titel “Vroege start: Goed voor inburgeringsplichtigen en gemeenten!”
Zo zien we dat een maatregel op het vlak van huisvesting van statushouders een nare invloed kan hebben op het inburgeringsstelsel. Nog los van andere nare gevolgen van de afschaffing van de huisvestingstaakstelling, is het maar zeer de vraag of deze afschaffing een goed idee is. Als er al voordelen aan deze afschaffing verbonden zijn, dan hoop ik toch dat die ruimschoots opwegen tegen de nadelen.
¹ Kamerstuk 32824, 452
² Kamerstuk 36831, 7
³ Zie daarover de website van het COA.