Over fraude heb ik al veel geschreven, het onderwerp fraude blijft niet alleen mij bezighouden, maar ook rechters en de wetgever. Hoe begon het allemaal? En waar zijn we nu - nog geen 4 jaar na de invoering van de Wgs - aanbeland? Ik zoom hierna in op de frauderende schuldenaar met een bijstandsuitkering.

De harde lijn: 2012

In de Wgs staat al sinds 1 juli 2012 dat gemeenten schuldenaren die gefraudeerd hebben mogen weigeren. Let wel: we hebben het hier om een schuldenaar met een bijstandsuitkering die echt opzettelijk de gemeente heeft benadeeld om daar zelf beter van te worden (uitkeringsfraude). Zie voor de precieze voorwaarden ook mijn opinie ‘Fraudeurs en schuldhulpverlening: Water en vuur? (12-08-2015). Sinds 1 januari 2013 is daar de Fraudewet (en het bijbehorende Boetebesluit) ‘bovenop’ gekomen. Deze wet werd met veel bombarie gepresenteerd, met als belangrijkste boodschap ‘Fraude mag niet lonen!’. Prima, maar de wet pakte ook iedereen aan die helemaal geen opzet had, maar vergeten was een wijziging door te geven. En van wie dat hoogstens een beetje slordig was, maar wat verder niets met frauderen te maken had. Alle bezwaren hierover werden van tafel geveegd. De wet kwam er en de boetes waren verre van mild. Een schuldenaar die dit ten deel was gevallen en met succes bij de gemeente aanklopte voor schuldhulpverlening, kreeg vervolgens vaak te maken met artikel 60c Participatiewet: de gemeente als schuldeiser van de boete mocht niet meewerken aan een schuldregeling. Een oplossing voor de problematische schulden was dan ook in de meeste gevallen kansloos.

De rechter grijpt in

De rechter (de Centrale Raad van Beroep; CRvB) was al snel duidelijk dat het met betrekking tot de hoogte van de bestuurlijke boetes zo niet ging; de Fraudewet schoot zijn doel voorbij. De Raad versoepelde in een uitspraak van 24 november 2014 de harde lijn: Bij het vaststellen van de hoogte van de bestuurlijke boete moet de gemeente volgens de CRvB wél naar de mate van verwijtbaarheid kijken. Zie ook het opiniestuk ‘Opzet en grove schuld voortaan relevant bij hoogte bestuurlijke boete’ van Pauke Boogaarts van 17-12-2014. De Raad ging nog verder in een aantal uitspraken van 11 januari 2016: De gemeente moet niet alleen kijken naar verwijtbaarheid, maar moet óók rekening houden met de financiële omstandigheden van de fraudeur, waaronder diens draagkracht. In geval van een hoge boete in combinatie met een geringe draagkracht zou de belanghebbende onaanvaardbaar lang op een absoluut bestaansminimum moeten leven. De CRvB vindt dat de boete binnen een redelijke termijn moet kunnen worden voldaan en legt de grens hierbij op twee jaar. Zie ook de opinie ‘Centrale Raad van Beroep tast wettelijk boeteregime ernstig aan: Toepassing van het evenredigheidsbeginsel leidt tot veel lagere boetes’ van André Pepers van 03-02-2016.

Wetgever draait ook bij

Inmiddels is ook de wetgever weer iets meer met zijn voeten op de grond (in de praktijk) beland. De Tweede Kamer heeft op 31 mei jl. het wetsvoorstel tot wijziging van de socialezekerheidswetten in verband met de regeling van de bestuurlijke boete aangenomen. Dat voorstel regelt dat de Participatiewet deels wordt aangepast op het gebied van de bestuurlijke boete aan de rechtspraak van de CRvB. De mate van verwijtbaarheid gaat in het voorstel een rol spelen bij de hoogte van de bestuurlijke boete, maar de draagkracht bewust niet. Dat laatste is natuurlijk opvallend.

Wat betreft de aanpak van de schulden is per 1 januari 2016 door een aanpassing van artikel 60c Participatiewet toch een schuldregeling mogelijk. Gemeenten die schuldeiser zijn van een frauderende schuldenaar mogen nu toch meewerken aan een minnelijke schuldregeling, tenzij die medewerking leidt tot een gedeeltelijke of gehele kwijtschelding van de vordering. Inmiddels is er een amendement aangenomen dat nog een stapje verder gaat. Het regelt dat indien ten aanzien van een overtreding waarvoor een bestuurlijke boete is opgelegd geen sprake is geweest van opzet of grove schuld, en voorts is gebleken dat binnen een jaar nadat de bestuurlijke boete is opgelegd niet nogmaals een overtreding wegens eenzelfde gedraging is begaan, de gemeente bevoegd is de bestuurlijke boete geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden bij medewerking aan een schuldregeling. Dat is dus nog gunstiger voor de schuldenaar.

Conclusie

De positie van de burger is er sinds de invoering van de Fraudewet (en bijbehorende Boetebesluit) gelukkig op vooruitgegaan. Er wordt minder gestrooid met torenhoge boetes, een schuldregeling is niet bij voorbaat uitgesloten en de fraudeschuld kan in sommige situaties worden kwijtgescholden. Er is dus zeker sprake van een veel zachtere aanpak van fraude dan 4 jaar geleden.

Voor de toegang tot schuldhulpverlening zou ik wel nog graag een verduidelijking zien van artikel 3 lid 3 Wgs, dat gemeenten de mogelijkheid geeft de schuldenaar met fraudeschulden te weigeren. Ik zou de wetgever willen vragen de periode waarin dit mag, te beperken. Nu is deze onbegrensd, maar langer dan 5 jaar terugkijken lijkt mij onwenselijk. Ook moet duidelijker worden dat de weigering alleen van toepassing is bij opzet (of grove schuld). Zie hierover ook onze 11 aanbevelingen aan de wetgever.