Op onze juridische helpdesk krijgen wij regelmatig vragen van gemeenten over de uitvoering van de individuele studietoeslag en de toekomstige wijzigingen. In het wetsvoorstel ‘uitvoeren breed offensief’ wordt artikel 36b Participatiewet over de individuele studietoeslag gewijzigd. Reden genoeg om in deze opinie in te gaan op de individuele studietoeslag.

Voorwaarden individuele studietoeslag

De voorwaarden voor het recht op individuele studietoeslag, hierna ook te noemen studietoeslag, staan vermeld in artikel 36b Participatiewet. Het belangrijkste criterium om in aanmerking te komen voor studietoeslag is dat belanghebbende door een structurele medische beperking tijdens de studie geen inkomsten kan verwerven. Dit criterium wijzigt na de inwerkingtreding van het nieuwe artikel 36b Participatiewet inhoudelijk niet. Wel is het criterium specifieker geformuleerd: “ als rechtstreeks gevolg van een ziekte of gebrek structureel niet in staat is naast de studie inkomsten te verwerven…”. Uit de toelichting bij het wetsvoorstel uitvoeren breed offensief blijkt dat hieronder wordt verstaan een lichamelijke of psychische beperking. Een sociale beperking, bijvoorbeeld het verlenen van mantelzorg valt niet onder dit criterium.

 

Het belangrijkste criterium om in aanmerking te komen voor studietoeslag is dat belanghebbende door een structurele medische beperking tijdens de studie geen inkomsten kan verwerven.

Wijzigingen na inwerkingtreding wetsvoorstel

Na wijziging van de wet vervalt de verordeningsplicht (artikel 8 lid 1 onder c en lid 3 Participatiewet) en het leeftijdscriterium van 18 jaar of ouder. Voor de hoogte van de studietoeslag wordt wel onderscheid gemaakt in leeftijd. Nieuw is de inlichtingenplicht (artikel 36b lid 4 Participatiewet) voor het recht op de studietoeslag en de uitzonderingsbepaling voor stagevergoedingen. Er geldt een vrijlating voor stagevergoedingen tot een maximumbedrag van € 180,00 (artikel 36 lid 5 Participatiewet). De regering vindt het gerechtvaardigd om deze vrijlating toe te staan. Stage is vaak een verplicht onderdeel van de opleiding en zo niet dan draagt het wel bij aan het vergroten van de toekomstige kansen op de arbeidsmarkt. Mensen met een Wajong-uitkering hebben overigens geen recht op studietoeslag.

Aard van de studietoeslag en (geringe) inkomsten uit arbeid

Monique heeft structurele medische beperkingen en recht op studietoeslag. Op enig moment is zij toch in staat om naast haar studie € 100,00 per maand te verdienen. Bestaat er dan nog recht op studietoeslag? En zo ja, mogen deze inkomsten worden gekort gelet op het huidige artikel 36b Participatiewet en op grond van nadere regels in de gemeentelijke verordening?


Huidig artikel 36b Participatiewet

Onder de huidige regels is het naar mijn mening verdedigbaar dat er recht bestaat op studietoeslag als een belanghebbende nog enige inkomsten heeft. In het huidige artikel 36b Participatiewet staat weliswaar als voorwaarde dat een belanghebbende door een structurele medische beperking tijdens de studie geen inkomsten kan verwerven, maar dat kan mijns inziens door de wetsgeschiedenis ruimer worden uitgelegd. Voor 1 januari 2020 luidde deze voorwaarde immers dat een persoon met voltijdse arbeid niet in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon. De wijziging per 1 januari 2020 lijkt te zijn bedoeld om de doelgroep te verruimen: niet alleen personen die niet in staat zijn tot het verdienen van het wettelijk minimumloon moeten in aanmerking komen voor een studietoeslag maar ook personen die enkel als gevolg van een medische urenbeperking niet het WML kunnen verdienen (zie TK 2018–2019, 35 275, nr. 5 en Gemeentenieuws SZW 2019-5). Het huidige artikel 36b Participatiewet zou daarom volgens deze uitleg kunnen worden toegepast en die uitleg sluit het hebben van enige inkomsten niet uit. De toelichting is niet echt helder op dit punt en daar kan over worden gediscussieerd. Enerzijds is uitbreiding van de doelgroep gewenst en anderzijds wordt afstand gedaan van het oude criterium.

Een vervolgvraag is dan of deze inkomsten gekort moeten worden.

Nee, omdat…..

De Participatiewet geeft deze bevoegdheid niet, maar de wet sluit de bevoegdheid ook niet uit. Er kan beargumenteerd worden dat het college geen nadere voorwaarden mag scheppen. Wanneer rekening wordt gehouden met inkomsten schept het college voorwaarden die niet in de wet staan, met als gevolg dat Monique die aan de voorwaarden van artikel 36b Participatiewet voldoet geen of minder studietoeslag ontvangt door dit beleid.

Ja, omdat..…

Artikel 8 Participatiewet biedt een ondergrens van wat de gemeenteraad moet regelen in een verordening over studietoeslag. Die regels mogen geen nadere voorwaarden scheppen die niet in artikel 36b Participatiewet staan. Zo mogen bepaalde doelgroepen niet worden uitgesloten. Met het korten van inkomsten worden in principe geen doelgroepen uitgesloten zo lang deze groepen nog een (gedeeltelijke) studietoeslag ontvangen. Volledige uitsluiting is wel discutabel, want dan sluit je feitelijk doelgroepen wel uit.

De wetgever heeft met de studietoeslag beoogd alleen mensen met een (medische) arbeidsbeperking te ondersteunen. Daarom kan beargumenteerd worden dat het in overeenstemming met het doel van artikel 36b Participatiewet is dat Monique recht heeft op een lager bedrag aan studietoeslag en een deel van de inkomsten gekort worden. Er zijn dus geen concrete aanwijzingen waaruit blijkt dat korten van een deel van de inkomsten op grond van de huidige wet niet mogelijk is.

 

Toekomstig artikel 36b Participatiewet

Nee, omdat….?

De verordeningsplicht vervalt na inwerkingtreding van het wetsvoorstel. Blijft over artikel 36b Participatiewet en een AMvB voor de korting van de stagevergoeding. Vervalt het recht op studietoeslag nu als Monique € 100,- per maand verdient met inkomsten uit arbeid? Op dat moment wordt niet meer voldaan aan het criterium dat Monique niet in staat is om naast haar studie inkomsten te verwerven. Uit de toelichting van het wetsvoorstel bij het gewijzigde artikel kan worden afgeleid dat bij enige inkomsten het recht op studietoeslag vervalt gezien de voorwaarde van artikel 36b en de uitzonderingsbepaling voor stagevergoedingen. Heeft de wetgever (bewust) geen uitzondering gemaakt voor geringe inkomsten uit arbeid? Voor de stagevergoeding is namelijk wel een uitzondering gemaakt.

Ik vraag mij af hoe deze uitleg zich verhoudt tot de bedoeling van de wetgever om mensen met een medische beperking zo veel mogelijk aan het werk te helpen. Dit lijkt toch een belemmering op te werpen om arbeid te gaan verrichten. Naar mijn mening is het aan het college om in die gevallen maatwerk te leveren, maar de vraag is of die ruimte er nog is na de wetswijziging. Wellicht dat toekomstige jurisprudentie daar duidelijkheid over zal geven, maar het zou fijn zijn als de regering hier nog extra aandacht aan besteedt. Het doel van studeren is toch om uiteindelijk een baan te vinden. En het doel van de regering bij het wetsvoorstel ‘breed offensief’ en een inclusieve arbeidsmarkt is toch om mensen met een beperking evenveel kansen te geven op een betaalde baan.