Dit artikel is verschenen in Tijdschrift Schuldsanering jaargang 2025 nummer 4 (december 2025)
Inhoud Msnp is niet vastgelegd in wet
Een Msnp is een overeenkomst tussen aan de ene kant de cliënt en aan de andere kant de schuldeisers. En voor alle overeenkomsten geldt dat ze zijn toegestaan, tenzij ze in strijd zijn met een dwingende wetsbepaling, de openbare orde of goede zeden¹. Er is geen wet waarin is vastgelegd hoe een Msnp eruit moet zien. Dat is de basis waarom een Msnp met een nulaanbod is toegestaan.
Maar wat zijn dan wel de kaders voor een Msnp? Bij een Msnp doet de schuldhulpverlener namens zijn cliënt een voorstel aan de schuldeisers. Om een reëel voorstel te doen is het belangrijk om het voorstel zo vorm te geven dat je de weg naar het dwangakkoord en de Wsnp niet blokkeert.
Nulaanbod kan altijd, net als in de Wsnp
Bij dat reële aanbod is het voldoende als het vtlb als basis wordt gevolgd, net zoals dat bij de Wsnp voor alle cliënten de standaard is². En zelfs bij de inwerkingtreding van de Wgs in 2012 heeft de wetgever ook expliciet het volgende overwogen voor minnelijke trajecten: “De Recofa-methode geldt ingeval van toepassing van de Wsnp. De regering acht het zeer gewenst dat de Recofa-methode ook geldt bij de gemeentelijke schuldhulpverlening”.³
Dat betekent dat je, als er op basis van het vtlb geen afloscapaciteit is, een nulaanbod doet. Want ook bij de Wsnp zou je cliënt dan namelijk geen maandelijkse aflossing hoeven te doen. Afhankelijk van de vraag of er in de toekomst wel of geen verhoging van de afloscapaciteit te verwachten is, kies je tussen een definitief nul of een prognose nul.
Dat het nulaanbod reëel is, is in het kerstarrest zelfs nog bevestigd door de hoogste rechter: de Hoge Raad. Die oordeelde namelijk dat er bij een nulaanbod zelfs sprake kan zijn van een eerdere ingangsdatum van de Wsnp.4
Ook de Wgs blokkeert schuldhulp in de vorm van een nulaanbod niet
Schuldhulpverleners bij of namens de gemeente zijn gebonden aan de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs). Dit is een bestuursrechtelijke kaderwet die vooral regelt wanneer inwoners recht hebben en houden op ondersteuning “bij het vinden van een adequate oplossing gericht op de aflossing van schulden”5. Hoe die hulp er concreet uit moet zien wordt in deze wet niet geregeld. En er staan daarom ook geen regels in die de inhoud of het proces van een Msnp bepalen. Daarom is ook de Wgs geen blokkade voor een nulaanbod.
Maar hoe zit het dan met het artikel in de Wgs waarin de wetgever het heeft over de beslagvrije voet6? Dat artikel geeft bescherming voor de cliënt gedurende het hele schuldhulptraject, dus ook bijvoorbeeld tijdens de stabilisatie. Zodat cliënt niet in de situatie komt dat hij, zelfs al zou hij dat graag willen (al dan niet onder druk van de schuldeisers), nog minder dan de beslagvrije voet overhoudt.
Dat komt zowel in de wettekst zelf tot uiting, als ook in de uitleg die de wetgever bij dit wetsartikel, wat per 1 januari 2021 is toegevoegd aan de Wgs, heeft gegeven. In de wettekst zelf staat namelijk “minimaal de beslagvrije voet in acht nemen”. Het woord minimaal maakt al duidelijk dat het gaat om een ondergrens, niet om een bovengrens. En in de toelichting benadrukte de wetgever dat nog eens, door daarin op te nemen: “Als er (minnelijke) schuldregelingen worden getroffen dient ten minste de beslagvrije voet in acht te worden genomen. Het ophogen van de beslagvrije voet is toegestaan, het verminderen niet.”7
Wetgever geeft duidelijk ruimte voor Vtlb en nulaanbod
Ook in de meest recente wetgeving op het gebied van schuldhulpverlening, namelijk de wijzigingen van de Wnsp in juli 2023, heeft de wetgever erkend dat er cliënten zijn waarbij geen afloscapaciteit is. Er is namelijk in de wet opgenomen dat, als er geen afloscapaciteit is, er gekozen zou kunnen worden voor een direct Wsnp-verzoek.8
Nulaanbod is zelfs enige reële optie bij inkomen onder vtlb
Hierboven lieten we al zien dat een nulaanbod toegestaan is. Maar als we kijken naar de maatschappelijke context, kunnen we niet anders dan concluderen dat het moreel onverantwoord is om bij een inkomen onder vtlb geen nulaanbod te doen. Want de commissie sociaal minimum heeft ons allen laten zien dat de bijstandsnorm te laag is om van te leven. Bewust mensen nog verder onder het sociaal minimum duwen kan dus niet de bedoeling zijn.
Hierbij moet je ook nadrukkelijk meewegen dat het bij het vtlb gaat om situaties binnen schuldhulpverlening. Uit onderzoek weten we dat een schuldregeling -gemiddeld- pas begint 8 jaar na het ontstaan van de oudste schuld. Dat betekent dat hiervoor al vele jaren van langdurige beslagleggingen, verrekeningen en straffe betalingsregelingen waren. Waarbinnen gezinnen intens verarmd zijn, waar alle buffers van een ruime voorraad- en kledingkast al verleden tijd zijn, waar functionele spullen voor de ontwikkeling van kinderen al langere tijd ontberen binnen het gezin en de stress en spanningen om de eindjes aan elkaar te knopen al een langere tijd aanwezig zijn. Dat drukt niet alleen negatief op de (geestelijke) gezondheid van de volwassenen, maar zelfs op de ontwikkeling van kinderen die al helemaal buiten hun schuld in deze situatie geplaatst zijn. Uit recent onderzoek blijkt zelfs dat kinderen die opgroeien in armoede een groter risico lopen op depressieve klachten dan kinderen die worden gepest.9
Na gemiddeld 8 van deze tropenjaren belanden ze in een schuldregeling en voeren wij op dat punt deze discussie of deze gezinnen wel of niet mogen overschakelen op het vtlb. Of dat we ze alsnog een periode van minimaal 18 maanden nog eens 5% onder bijstandsniveau duwen? Waardoor ze € 68,- (alleenstaande) tot € 98,- (paar) per maand, concreet ongeveer een week aan boodschappen, minder te besteden hebben dan iemand met een volledige bijstandsuitkering.
Daarbij verwachten we ook nog eens dat ze in het belang van de boedel maximaal inzetten op het verkrijgen van arbeid, waarvoor eigenlijk eerst herstel nodig is. Maar hoe te herstellen als je nog steeds diepe armoede moet ervaren? En dat met de dreiging dat de reddingsboei, de schuldregeling, wordt afgepakt op het moment dat ze alsnog nieuwe schulden maken.
Daar bovenop is het zowel moreel als juridisch niet aanvaardbaar om cliënten hierin ongelijk te behandelen. Het vtlb is de rekenmethode waarvan we met elkaar hebben afgesproken dat een cliënt dat bedrag nodig heeft om de schuldregelingsperiode door te komen. En dat heeft als resultaat dat daar soms een nulaanbod bij hoort. Het is wel erg cru om feitelijk tegen een cliënt te zeggen: “Jouw inkomen is zó laag, dat we voor jou een andere berekening hanteren en je meer moet afdragen dan wat je volgens de standaardberekening zou kunnen missen”.
Daarmee zouden we feitelijk zeggen: alle mensen zijn gelijk, maar sommige mensen zijn meer gelijk dan anderen. Gelijke behandeling betekent dat we voor iedereen dezelfde rekenmethode hanteren, zonder onderscheid tussen mensen met een hoog en laag inkomen. En juist het vtlb is ontwikkeld om wél een gelijk speelveld te krijgen.
Want het vrij te laten bedrag bestaat uit de beslagvrije voet, plus de in het vtlb-rapport vastgelegde verhogingen. Zo wordt door deze verhogingen, anders dan in de beslagvrije voet zelf, gecorrigeerd voor de werkelijke kosten van huur en zorgpremie, het werkelijke aantal kinderen en de reiskosten indien deze noodzakelijk zijn om te kunnen werken. Onderaan de streep zou door deze verhogingen een cliënt met een goede baan en daardoor geen recht op toeslagen, hetzelfde overhouden voor boodschappen als een cliënt met een bijstandsuitkering. Hierdoor worden de ongelijke situaties rechtgetrokken naar een gelijk resultaat.
Conclusie + suggestie
Zoals we hierboven – op juridische gronden – hebben laten zien, is er binnen een minnelijk traject een nulaanbod gewoon mogelijk, omdat een Msnp een overeenkomst is. Daarnaast biedt de wetgever nadrukkelijk de ruimte – ook voor de trajecten die via de gemeente lopen – om méér te hanteren dan de beslagvrije voet en te conformeren aan de Wsnp, waar altijd het vtlb wordt gebruikt. Daarnaast bevestigt de wetgever in artikel 285 Fw deze mogelijkheid door cliënten een zogenaamde ‘short-cut’ aan te bieden om bij geen afdrachtscapaciteit binnen Msnp rechtstreeks een beroep te doen op de Wsnp. Daar bovenop erkent zelfs de hoogste rechter het nulaanbod in het zogenaamde Kerstarrest waar de recente wetswijzigingen duiding hebben gekregen.
Zolang het huidig bestaansminimum niet verhoogd wordt is een nulaanbod eigenlijk de enige reële optie om mensen met een inkomen op bijstandsniveau te laten herstellen en toe te laten werken naar een duurzame schuldenvrije situatie waarin, indien mogelijk, toe geleid wordt richting werken. Dat is niet alleen goed voor deze mensen, maar juíst goed voor ons als maatschappij.
Om te zorgen voor duidelijkheid, zowel voor cliënten als ook voor schuldhulpverleners en schuldeisers, adviseren we om het vtlb een plek te geven binnen het democratisch bestel. Dit kunnen we doen door de rekenregels op te nemen in een zogeheten algemene maatregel van bestuur. Dat de vtlb-methode regelmatig aanpassing behoeft vanwege de wijziging van de normen, is geen reden om het niet te doen. Want dat gebeurt bijvoorbeeld ook al bij de Participatiewet en de beslagvrije voet.
We denken dat het ook voor de wetgever wenselijk is om de regels voor het vtlb een wettelijke basis te geven. Nu maakt Recofa, die bepaalt hoe het vtlb berekend moet worden, soms andere keuzes dan de wetgever. Als voorbeeld: de bijdrage van thuiswonende meerderjarige kinderen. Voor de Participatiewet heeft de wetgever per 1 januari 2023 bewust de leeftijd vanaf wanneer kinderen geacht worden bij te dragen in de woonlasten, verhoogd naar 27 jaar. Recofa heeft gekozen om niet mee te gaan in deze verhoging, waardoor bij een schuldregeling nog steeds kinderen al vanaf 21 jaar worden gezien als kostendeler.
Het proces van het vtlb moet verplaatst worden naar het democratisch bestel, waarbij er andere keuzes gemaakt zouden kunnen worden, maar het systeem van het vtlb – het streven naar gelijke behandeling – is een uitganspunt dat wij moeten blijven koesteren en verdedigen.
Dit artikel reageert op het artikel “Het nulaanbod: onwenselijk en onwettelijk”.
Wilt u dat artikel ook lezen? Gebruik dan onderstaande link
Noten
1 Art. 3:40 BW
2 Art. 295 Fw en art. 3.7 Recofa-richtlijnen
3 Kamerstukken II 2009/10, 32 291, nr. 3, p. 12
4 HR 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1913, r.ov. 3.11.4
5 Art. 1 Wgs
6 Art. 4a lid 5 Wgs
7 Kamerstukken II 2019/20, 35316, nr. 3, p. 32
8 Art. 285 lid 1 sub f Fw
9 Giri S, Ross N, Kornhaber R, Ahmed KY, Thapa S. The effects of parental adverse childhood experiences (ACEs) and childhood threat and deprivation on adolescent depression and anxiety: an analysis of the longitudinal study of Australian children. Epidemiology and Psychiatric Sciences. 2025;34:e49. doi:10.1017/S2045796025100255