Een auto van € 4.500 is algemeen gebruikelijk en telt niet als vermogen. Een paard van € 3.000? Die wordt vaak wel als vermogen aangemerkt. Deze spanning in de uitvoeringspraktijk roept interessante vragen op over de toepassing van artikel 34 lid 2 sub a Participatiewet.

Huis- en hobbydieren

Artikel 34 lid 2 sub a Participatiewet bepaalt dat niet als vermogen worden aangemerkt: “bezittingen in natura die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn.” Deze bepaling geeft gemeenten bewust ruimte voor maatwerk. Veel gemeenten maken gebruik van die ruimte door in hun beleidsregels vast te leggen dat een personenauto, onder bepaalde voorwaarden, als algemeen gebruikelijk bezit wordt gezien. Daarbij wordt doorgaans een vrijlating gehanteerd tussen € 1.500 en € 4.500. Deze vrijlating is ingegeven door de gedachte dat een auto van deze waarde maatschappelijk normaal is en dat het bezit ervan bijstandsgerechtigden niet mag belemmeren in hun mogelijkheden om werk te zoeken en te aanvaarden. Voor huis- en hobbydieren bestaat geen vergelijkbare vrijlatingsregeling. De waarde van een dier telt volledig mee als vermogen. Als de waarde boven de vermogensgrens uitstijgt, dient het dier verkocht te worden alvorens recht op bijstand bestaat. Deze benadering vindt zijn rechtvaardiging in de gedachte dat dieren, anders dan auto’s, niet als algemeen gebruikelijk bezit kunnen worden beschouwd en niet noodzakelijk zijn voor de uitoefening van arbeid. De vraag is of artikel 34 lid 2 sub a Participatiewet niet evenzeer ruimte biedt voor een vrijlating van huis- en hobbydieren van vergelijkbare of lagere waarde.

De toets ‘algemeen gebruikelijk’

De toets van artikel 34 lid 2 sub a Participatiewet bestaat uit drie elementen:

1. Het moet gaan om een goed in natura,

2. Het type goed moet normaal zijn voor iemand op bijstandsniveau, en

3. De waarde mag niet bovenmatig zijn in verhouding tot wat maatschappelijk als normaal geldt.

Deze toets is contextafhankelijk en vraagt om een beoordeling in het concrete geval.

In de huidige samenleving worden huis- en hobbydieren niet uitsluitend gezien als recreatief bezit.

 

In de huidige samenleving worden huis- en hobbydieren niet uitsluitend gezien als recreatief bezit. Zij vervullen ook een belangrijke rol in sociale participatie en persoonlijk welzijn. Huis- en hobbydieren dragen bij aan mentale en fysieke gezondheid, verminderen eenzaamheid en bieden dagelijkse structuur. Voor mensen in een kwetsbare positie kan het behoud van een huis- en hobbydier van groot belang zijn voor hun welzijn en maatschappelijke inbedding.

Het verplicht verkopen van een dier vanwege een beperkte overschrijding van de vermogensgrens kan daarom als disproportioneel worden ervaren. Het doel van de vermogensregeling is te waarborgen dat eerst beschikbare middelen worden aangewend voordat een beroep op bijstand wordt gedaan. De vraag is of dat doel daadwerkelijk wordt gediend door de verkoop van een huis- en hobbydier, zeker wanneer de opbrengst beperkt is en het verlies ingrijpende gevolgen heeft voor het welzijn van de belanghebbende. Het evenredigheidsbeginsel van artikel 3:4 lid 2 Awb verlangt dat de nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig zijn in verhouding tot het daarmee te dienen doel.

 

Let op: tekst loopt door onder afbeelding.

Schulinck Participatiewet

Heeft u behoefte aan ondersteuning bij het uitvoeren van de Participatiewet? Schulinck Participatiewet is een handige online kennisbank, speciaal voor gemeenten.

Vrijlatingsregeling

Een praktische uitwerking zou kunnen zijn om ook voor huis- en hobbydieren een beperkte vrijlatingsregeling te hanteren, bijvoorbeeld tot een bedrag van € 2.000 tot € 3.000 per huishouden. Dit sluit aan bij de vrijlatingen die voor auto’s worden gebruikt en weerspiegelt de waarde van huisdieren die naar aard en waarde maatschappelijk als normaal kunnen worden beschouwd. Een dergelijke vrijlating zou uiteraard niet gelden voor dieren die onderdeel uitmaken van een commerciële activiteit. Bij handel in dieren of fokkerij met winstoogmerk functioneren dieren als bedrijfsmiddel of handelswaar en niet als algemeen gebruikelijk huiselijk bezit. Ook dieren die duidelijk als investerings- of vermogensobject worden gehouden, zoals dure fokpaarden, gespecialiseerde sportpaarden of exotische dieren met een hoge marktwaarde vallen buiten een dergelijke vrijlating.