De CRvB oordeelt dat de eigenkrachtbepaling in de verordening van de betrokken gemeente voldoet aan de wettelijke eisen van rechtszekerheid. De bepaling bevat voldoende concrete criteria voor de beoordeling van jeugdhulp die door ouders wordt geboden. Dit is belangrijk nieuws voor gemeenten. Tot nu toe oordeelde de CRvB namelijk alleen maar over eigenkrachtbepalingen die niet voldeden aan de eisen. Voor gemeenten was het dus lang onduidelijk wat zij in hun verordening moesten opnemen om zich juridisch juist te kunnen beroepen op de eigen kracht van jeugdigen en/of ouders.

Uitspraak

In de nieuwe zaak werd het beroep van de ouders tegen de afwijzing van het pgb voor informele jeugdhulp ongegrond verklaard. De gemeente had in de verordening opgenomen wat de criteria en afwegingsfactoren zijn bij het beoordelen of sprake is van gebruikelijke hulp en het eigen probleemoplossend vermogen. Deze eigenkrachtbepaling voldoet volgens de CRvB aan de wettelijke eisen van rechtszekerheid en biedt voldoende concrete criteria voor de beoordeling van jeugdhulp die door ouders wordt geboden. Daarmee zijn de afwegingsfactoren op juridisch correcte wijze in de gemeentelijke verordening vastgelegd, zoals bepaald in artikel 2.9 Jeugdwet. De gemeente in kwestie mocht zich dus terecht beroepen op die bepaling.

Eigenkrachtbepaling Schulinck

De eigenkrachtbepaling waarover de CRvB oordeelde, is door Schulinck opgesteld. De uitspraak bevestigt dat deze bepaling voldoet aan de eisen die de CRvB stelt aan rechtszekerheid en normering. Het is voor andere gemeenten dus aan te raden om deze bepaling op te nemen in hun verordening. De bepaling wordt binnenkort opgenomen in onze modelverordening, maar is nu al te vinden op onze pagina ‘Modelbeleid‘.