Hogere belastingen zijn de voornaamste oorzaak dat de koopkracht volgend jaar voor bijna alle groepen gemiddeld iets daalt (0,1 procent). Het minderheidskabinet besloot eind augustus extra geld vrij te maken om die daling wat te dempen. Over de verdeling van die ruim 1,5 miljard euro valt te praten, is op Prinsjesdag de boodschap aan de oppositie.
De koopkrachtplaatjes van het ministerie van Sociale Zaken zijn dan ook gebaseerd op “een technische invulling”, en kunnen nog veranderen als de Tweede Kamer eraan gaat sleutelen. Het kabinet zegt wel te hebben gestreefd naar “een zo evenwichtig mogelijk koopkrachtbeeld”. Vrijwel alle groepen zitten net onder de nullijn.
Het kabinet stelt voor de voorgenomen verhoging van de inkomstenbelasting, onder meer bedoeld om de defensie-uitgaven te kunnen verhogen, iets te matigen. Om de nog altijd hoge prijzen aan de pomp te verlichten, wordt de korting op de brandstofaccijnzen met een jaar verlengd.
Deze maatregelen worden onder meer gedekt met een hogere belasting op leidingwater en een lagere belastingkorting voor ouderen. Ook stijgt de ondergrens voor het hoogste tarief in de inkomstenbelasting volgend jaar niet mee met de inflatie. Mensen die veel verdienen, betalen daardoor over een groter deel van hun inkomen het toptarief.
Gepensioneerden gaan er gemiddeld genomen het meest op vooruit (0,3 procent). Dat komt vooral doordat veel pensioenen onder het nieuwe stelsel gaan vallen. Daarbij is, mits een pensioenfonds financieel gezond is, een eenmalige verhoging mogelijk. Een klein plusje is er ook voor mensen met de laagste inkomens (0,2 procent).
De koopkrachtplaatjes laten zien hoe het kabinetsbeleid uitpakt voor huishoudens, rekening houdend met actuele economische ontwikkelingen als de loonontwikkeling en inflatie. Veranderingen in het persoonlijk leven, bijvoorbeeld een scheiding, een nieuwe baan of het krijgen van een kind, hebben doorgaans veel meer invloed maar zijn hier buiten beschouwing gelaten.