Als u als medewerker Participatiewet aanvragen voor dieetkosten beoordeelt, begeeft u zich op het snijvlak van recht, gezondheid en maatschappelijke ontwikkelingen. Voeding behoort tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan en moet uit de bijstandsnorm worden voldaan.

Tegelijkertijd kan een medisch noodzakelijk dieet leiden tot aantoonbare extra uitgaven. De vraag is waar de grens ligt tussen normale kosten van het bestaan en uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten als bedoeld in artikel 35 Participatiewet. Daar gaan we dieper op in met deze opinie.

De voorliggende voorziening: de Zorgverzekeringswet als eerste toets

Artikel 15 Participatiewet sluit bijzondere bijstand uit als een beroep kan worden gedaan op een passende en toereikende voorliggende voorziening. Voor medische kosten is dat in beginsel de Zorgverzekeringswet (Zvw). 

Daarbij is het volgende onderscheid van belang: 

  • Dieetpreparaten, zoals sondevoeding of medische drinkvoeding 
  • Aangepaste normale voeding, zoals glutenvrije producten, lactosevrije melk of  natriumarm brood 

Dieetpreparaten vallen onder de Zorgverzekeringswet en worden, bij aanwezigheid van een indicatie en binnen de daarvoor geldende voorwaarden, vergoed op grond van de Regeling zorgverzekering. Voor deze kosten is bijzondere bijstand uitgesloten. 

Voor aangepaste normale voeding ligt dat anders. In zijn richtinggevende uitspraak van 2 oktober 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:3221) heeft de Centrale Raad van Beroep geoordeeld dat de Zvw voor deze kosten geen toereikende en passende voorliggende voorziening is. De uitsluiting van reguliere dieetvoeding in de Zvw is niet aan te merken als een bewuste keuze van de wetgever om deze kosten als niet-noodzakelijk te bestempelen. 

Dat oordeel is juridisch van groot belang: het opent de deur naar artikel 35 Participatiewet.

Artikel 35 Participatiewet: de inhoudelijke toets

Wanneer de voorliggende voorziening geen belemmering vormt, komt de beoordeling op grond van artikel 35 Participatiewet in beeld. Daarbij moeten achtereenvolgens de volgende vragen worden beantwoord: 

  1. Doen de kosten zich voor? 
  1. Zijn de kosten noodzakelijk? 
  1. Vloeien de kosten voort uit bijzondere omstandigheden? 
  1. Kunnen de kosten uit de draagkracht worden voldaan? 

In de uitvoeringspraktijk vormt de vaststelling van medische noodzaak doorgaans het vertrekpunt van de beoordeling. Gemeenten vragen hiervoor veelal advies aan een onafhankelijk medisch adviseur. Een medische indicatie is echter niet voldoende om bijzondere bijstand toe te kennen. Vervolgens moet worden beoordeeld of de kosten zich onderscheiden van wat van iemand in vergelijkbare omstandigheden mag worden verwacht. 

Daarmee komt het begrip meerkosten in beeld. 

Schulinck Participatiewet

Als medewerker van een gemeente helpt u mensen die het zonder ondersteuning niet redden op de arbeidsmarkt. Schulinck Participatiewet gebruikt u om de Participatiewet juist uit te voeren, mét aandacht voor de menselijke maat. In deze kennisbank vindt u alle informatie die u nodig heeft om de inwoners van uw gemeente verder te helpen.

Meerkosten als doorslaggevend element

Meerkosten vormen geen zelfstandig criterium, maar zijn verankerd in de vraag of sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten. Alleen uitgaven die uitstijgen boven gangbare kosten van bestaan kunnen in aanmerking komen voor bijzondere bijstand. 

In de praktijk sluiten gemeenten bij de vaststelling van meerkosten veelal aan bij de richtlijnen van het Nibud. Niet het volledige dieet wordt vergoed, maar uitsluitend het verschil tussen een referentievoeding en het voorgeschreven dieet. Die referentievoeding is gebaseerd op algemeen aanvaarde voedingsadviezen, onder meer van het Voedingscentrum. Wanneer de Schijf van Vijf verandert, heeft dat gevolgen voor de samenstelling van de referentievoeding waarop meerkosten worden beoordeeld. 

Door maatschappelijke en voedingskundige ontwikkelingen zijn veel producten die vroeger als dieetproduct werden gezien, inmiddels breed verkrijgbaar en betaalbaar. Glutenvrije producten zijn vaak nog duurder dan reguliere alternatieven, maar bij andere diëten, zoals natriumbeperkte, eiwitverrijkte of vetbeperkte voeding, is het prijsverschil beperkt of afwezig. 

In de rechtspraak is deze ontwikkeling al langer zichtbaar. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat bij een voedingsvezelverrijkt dieet geen sprake was van relevante meerkosten (ECLI:NL:CRVB:2006:AX2169). Hetzelfde gold voor een calciumverrijkt dieet (ECLI:NL:CRVB:2010:BN3132). 

In een uitspraak uit 2017 over een dieet in verband met diabetes (ECLI:NL:CRVB:2017:3473) oordeelde de CRvB dat de voorgeschreven koolhydraatstabiele voeding kon worden beschouwd als algemeen gebruikelijke gezonde voeding. Omdat het dieet niet wezenlijk afweek van wat in algemene zin wordt aanbevolen, ontbrak het voor artikel 35 Participatiewet vereiste element van objectieve meerkosten. 

Niet elk medisch voorgeschreven dieet leidt tot juridisch relevante meerkosten. 

Van dieet naar gezonde voeding

De invulling van het begrip meerkosten schuift mee met wat in de samenleving als normale en gezonde voeding wordt gezien. Waar vroeger relatief snel werd aangenomen dat een dieet per definitie duurder was, ligt het accent nu op de vraag of werkelijk sprake is van een afwijking ten opzichte van gangbare voeding. 

Voor de uitvoeringspraktijk betekent dit dat niet elk medisch voorgeschreven dieet automatisch leidt tot bijzondere bijstand. De beoordeling vraagt om een zorgvuldige individuele afweging, waarbij medische noodzaak wordt onderscheiden van juridisch relevante meerkosten. 

De fiscale route: een alternatief in theorie

In de inkomstenbelasting bestaat de mogelijkheid om dieetkosten af te trekken als specifieke zorgkosten. Daarbij wordt gewerkt met forfaitaire bedragen op grond van de dieetlijst van de Belastingdienst. 

In theorie kan dit een alternatief vormen, maar voor de doelgroep van de Participatiewet is deze route in de praktijk vaak weinig effectief. Er moet voldoende belasting verschuldigd zijn om de aftrek te kunnen verzilveren. Daarnaast geldt een drempelbedrag voor de aftrek van zorgkosten. Verder zijn kosten die via bijzondere bijstand zijn vergoed niet aftrekbaar. 

Voor bijstandsgerechtigden is bijzondere bijstand daarom doorgaans de enige daadwerkelijk werkende compensatiemogelijkheid. 

Conclusie

De beoordeling van dieetkosten binnen de Participatiewet verloopt langs een duidelijke juridische lijn. De Zorgverzekeringswet vormt voor reguliere dieetkosten geen toereikende en passende voorliggende voorziening. Daarna bepaalt artikel 35 Participatiewet het kader. 

Medische noodzaak is een belangrijke voorwaarde, maar niet beslissend.  

Doorslaggevend is of sprake is van objectieve meerkosten ten opzichte van gangbare voeding. Die beoordeling beweegt mee met maatschappelijke en voedingskundige ontwikkelingen. 

Alleen waar aantoonbare meerkosten voortvloeien uit een medisch noodzakelijke afwijking van algemeen gebruikelijke voeding, kan bijzondere bijstand worden verleend. Ontbreken die meerkosten, dan strandt de aanvraag binnen het beoordelingskader van artikel 35 Participatiewet.