Op 8 oktober 2026 heeft de Europese Commissie een uitvoeringshandeling vastgesteld, namelijk de uitvoeringshandeling betreffende eenvormige voorwaarden voor de exploitatievoorschriften voor het fokken van pluimvee en varkens (afgekort ‘UCOL’). Deze uitvoeringshandeling geeft invulling aan artikel 70 decies van de Richtlijn industriële emissies en emissies uit de veehouderij (Richtlijn 2010/75, afgekort ‘Rie 2.0’, laatst gewijzigd door Richtlijn 2024/1785). De uitvoeringshandeling stelt grenswaarden vast voor de uitstoot van schadelijke stoffen en milieuprestaties in de varkens- en veehouderijsector. Deze uitvoeringshandeling is relevant voor decentrale overheden, omdat zij vaak het bevoegde gezag zijn voor het verlenen van vergunningen aan veehouderijen die onder de Rie 2.0 vallen.
Verplichte vergunning of registratie voor intensieve pluimvee- en varkenshouderijen
Artikel 70 quater lid 1 van de Rie 2.0 bepaalt dat intensieve pluimvee- en varkenshouderijen een vergunning of registratie nodig hebben om hun activiteiten uit te mogen voeren. Daarnaast moeten alle intensieve pluimvee- en varkenshouderijen voldoen aan de eenvormige voorwaarden voor uitvoeringsregels, zoals bedoeld in artikel 70 decies (zie onder het kopje ‘Eenvormige voorwaarden voor uitvoeringsregels’).
Volgens artikel 70 septies lid 1 van de Rie 2.0 moet de betrokken pluimvee- of varkenshouderij de grenswaarden voor emissies en milieuprestaties monitoren en zij mag deze grenswaarden niet overschrijden. Als een pluimvee- of varkenshouderij zich niet houdt aan de eenvormige voorwaarden, zorgt de bevoegde autoriteit, bijvoorbeeld een decentrale overheid, ervoor dat die pluimvee- of varkenshouderij alle maatregelen neemt die nodig zijn om te voldoen aan de voorwaarden. Als de niet-naleving leidt tot een aanzienlijke verslechtering van de plaatselijke lucht-, water- of bodemgesteldheid of een (dreiging van) aanzienlijk gevaar voor de menselijke gezondheid kan het bevoegd gezag, zoals een gemeente, provincie of waterschap, de exploitatie door de pluimvee- of varkenshouderij opschorten totdat de pluimvee- of varkenshouderij zich weer aan de regels houdt.
Decentrale relevantie
De Rie 2.0 moest uiterlijk op 1 juli 2026 geïmplementeerd zijn in Nederlandse wetgeving. Op 16 juni 2026 is het wetsvoorstel voor de Implementatie herziening Richtlijn industriële emissies en de uitvoering van de PIE-verordening aangenomen en naar de Eerste Kamer gestuurd. Volgens het wetsvoorstel wordt de Rie 2.0 opgenomen in de Omgevingswet en de Wet milieubeheer. Daarin wordt voorgesteld om activiteiten van veehouderijen die onder de Rie 2.0 vallen (een zogenaamde ‘Rie-veehouderij’) aan te wijzen als milieubelastende activiteiten (voorgesteld artikel 4.13 lid 2 van de Omgevingswet).
De eenvormige voorwaarden zijn decentraal relevant, omdat volgens het bovengenoemde wetsvoorstel decentrale overheden, met name gemeenten en provincies, op basis van afdeling 4.1 van de Omgevingswet het bevoegd gezag kunnen zijn bij het verlenen van een vergunning aan een Rie-veehouderij. Een decentrale overheid die in dat kader het bevoegd gezag uitoefent, is dus verantwoordelijk voor het controleren en waarborgen van de naleving van de Rie 2.0 en de bijbehorende eenvormige voorwaarden voor uitvoeringsregels.