De hulphond als hulpmiddel in de Zorgverzekeringswet?

De hulphond als hulpmiddel in de Zorgverzekeringswet?

Is financiering vanuit de Jeugdwet uitgesloten?

Opinie
Bewaren in kennisdossier
06 februari 2019

Vorig jaar oordeelde de CRvB in het kader van de Wmo dat het college een aanvraag voor de opleiding van een PTSS-hulphond kan weigeren, aangezien nog onvoldoende wetenschappelijk is bewezen dat de hond een bijdrage levert aan het wegnemen van beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie. Deze uitspraak betekende niet dat daarmee het vergoeden van de opleiding van een dergelijke hulphond onder de Wmo is uitgesloten. De CRvB liet namelijk de ruimte voor het college om tot de conclusie te komen dat de hulphond juist wél een bijdrage kan leveren. De verwachting was dat gemeenten bij uitvoering van de Jeugdwet dezelfde opties hadden:

  1. Het afwijzen van de opleiding van een hulphond.
    Omdat onvoldoende wetenschappelijk bewezen is dat de hulphond kan bijdragen aan één van de doelen uit de Jeugdwet;
  2. Het toekennen van de opleiding van de hulphond.
    Omdat de hond naar het oordeel van het college wél een bijdrage kan leveren aan één van de doelen uit de Jeugdwet.

Rechtbank Gelderland: ‘de hulphond is een hulpmiddel’

Vreemd genoeg komt de rechtbank Gelderland in een recente uitspraak met betrekking tot een autismehulphond voor een jeugdige tot een andere conclusie. De rechtbank oordeelt dat de hulphond en de opleiding van de hulphond te beschouwen zijn als ‘hulpmiddel’. Daarom kan de opleiding van de hulphond volgens de rechtbank niet op grond van de Jeugdwet worden toegekend. Hulpmiddelenzorg valt namelijk onder de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Zvw is voorliggend op de Jeugdwet (op grond van artikel 1.2 lid 1 Jeugdwet). Volgens de rechtbank is er in dat geval voor het college geen ruimte om op grond van de Jeugdwet een voorziening toe te kennen. Dat de opleiding van een autismehulphond op dit moment helemaal niet vergoed wordt door de Zvw maakt volgens de rechtbank niet uit. Het uitgangspunt is namelijk dat alle hulpmiddelenzorg onder de Zvw valt. Het is aan de wetgever om te bepalen welke van die hulpmiddelen voor een (gedeeltelijke) vergoeding in aanmerking komen, aldus de rechtbank.

Dat de hulphond op dit moment niet vergoed wordt maakt juist wél uit

De redenatie van de rechtbank kan ik niet volgen. Allereerst kun je zo je bedenkingen hebben bij het feit dat de rechtbank een hulphond als ‘hulpmiddel’ ziet. Zelfs als deze classificatie terecht is, dan is het op zijn minst opmerkelijk te noemen dat de rechtbank geen aandacht heeft voor de Wmo. Op grond van de Wmo is het immers ook mogelijk om hulpmiddelen te verstrekken. Deze mogelijkheid wordt niet benoemd door de rechtbank.

Verder kun je naar mijn idee pas spreken van een ‘voorliggende voorziening’ als er ook daadwerkelijk een andere wet is die voorziet in de gevraagde voorziening. Dat is hier niet het geval. Zoals de rechtbank ook al aangeeft, wordt de opleiding van een autismehulphond op dit moment namelijk niet vergoed door de Zvw. Naar mijn mening legt de rechtbank artikel 1.2 lid 1 Jeugdwet verkeerd uit.

Met artikel 1.2 lid 1 Jeugdwet heeft de wetgever een afbakening van wettelijke aanspraken gecreëerd. Dat wil zeggen: als een jeugdige op grond van een andere wet aanspraak maakt op een voorziening, dan is het college ‘niet gehouden’ om op grond van de Jeugdwet een voorziening toe te kennen. De toelichting biedt nog wat extra duidelijkheid. Hierin staat dat als aan andere wetten rechten kunnen worden ontleend, de Jeugdwet niet geldt. Wat mij betreft is dit geen onlogisch artikel. Hiermee wordt duidelijk gemaakt dat slechts vanuit één wet een aanspraak op een voorziening kan bestaan.

Je kunt pas spreken van een ‘voorliggende voorziening’ als er ook daadwerkelijk een andere wet is die voorziet in de gevraagde voorziening

Maar juist op dit laatste punt gaat de rechtbank Gelderland naar mijn mening de mist in: de aanspraak bestaat in dit geval namelijk niet. Bovendien zou je ook nog je twijfels kunnen hebben bij het oordeel van de rechtbank dat bij een voorliggende voorziening ‘geen ruimte is tot verstrekking van een voorziening op grond van de Jeugdwet’. Wanneer je puur naar de tekst van artikel 1.2 lid 1 kijkt biedt de Jeugdwet deze ruimte namelijk wel. Het college is in een dergelijk geval slechts niet verplicht om een voorziening toe te kennen. Hopelijk volgt hier nog een hoger beroep zodat we te weten komen hoe de CRvB tegen deze kwestie aankijkt.

Reageren