Inkomen of vermogen?

Inkomen of vermogen?

De transitievergoeding in de Participatiewet

Opinie
06 januari 2016

Als onderdeel van de Wet werk en zekerheid is de transitievergoeding per 1 juli 2015 verankerd in de wet (artikel 7:673 BW). Deze transitievergoeding is in de plaats getreden van de ontslagvergoeding. Via onze juridische helpdesk bereikt ons regelmatig de vraag of de transitievergoeding moet worden aangemerkt als inkomen of als vermogen. Dit vraagstuk behelst bijzonder interessante materie die hieronder nader wordt toegelicht.

Het is allereerst van belang om stil te staan bij de vaste jurisprudentie van de CRvB die ziet op de oude ontslagvergoeding (in juridische termen de zgn. ontbindingsvergoeding op basis van de kantonrechtersformule). Zulke ontslagvergoedingen dienen namelijk voor de bijstand te worden beschouwd als inkomen, bestemd om te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan voor de periode na de ontbinding van de arbeidsovereenkomst, tenzij voldoende en ondubbelzinnig blijkt dat deze vergoeding een andere bestemming heeft (zie bijvoorbeeld CRvB 22-02-2011, nr. 09/1983 WWB, ECLI:NL:CRVB:2011:BP5959).

Transitievergoeding
De transitievergoeding heeft naar mijn mening met klem een ander karakter dan de oude ontslagvergoeding. De transitievergoeding is namelijk enerzijds bedoeld als compensatie voor het ontslag, maar anderzijds ook bedoeld om de overgang naar betaald werk te vergemakkelijken (zie TK 2013 - 2014, 33 818, nr. 7, p. 69). De werkgever kan kosten die tijdens het dienstverband worden gemaakt in mindering brengen op de transitievergoeding (artikel 7:673 lid 6 BW). Denk bijvoorbeeld aan kosten voor scholing of outplacement. Als een werknemer aan de voorwaarden voor de transitievergoeding voldoet is de werkgever deze altijd verschuldigd, waarbij het niet van invloed is of de werknemer na het eindigen van de arbeidsovereenkomst werkloos is of al een nieuwe arbeidsovereenkomst aangaat. De transitievergoeding omhelst volgens de wetgever dan ook expliciet geen inkomensvoorziening (zie TK 2013 - 2014, 33 818, nr. 7, p. 70).

De auteurs van Grip op Participatiewet concluderen op basis van het voorgaande dat de transitievergoeding in bijstandsverband niet als inkomen kan worden aangemerkt nu duidelijk blijkt dat de transitievergoeding niet is bedoeld ter voorziening in het levensonderhoud voor de periode na het eindigen van de arbeidovereenkomst. Als een werknemer immers aan de voorwaarden voor de transitievergoeding voldoet blijft de werkgever deze verschuldigd, ook als de werknemer reeds een nieuw inkomen heeft verworven. Naar onze mening dient de transitievergoeding voor de middelentoets dan ook te worden toegerekend aan het vermogen. Dit gegeven is vooral van belang in tweetal situaties die hierna aan bod komen.  

Transitievergoeding ontvangen vóór bijstandsaanvraag
Allereerst kan het zich voordoen dat een bijstandsgerechtigde een transitievergoeding ontvangt en deze opsoupeert alvorens hij een bijstandsaanvraag doet bij het college. Bij regulier vermogen wordt in zulke situaties onderzocht of de bijstandsgerechtigde niet te snel heeft ingeteerd op zijn vermogen. Dit wordt bepaald aan de hand van de interingsnorm (vaak wordt daarvoor 1,5  x de bijstandsnorm per maand gehanteerd). Als het reguliere vermogen sneller is opgemaakt dan toegestaan volgens de interingsnorm heeft de bijstandsgerechtigde daarmee doorgaans blijk gegeven van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid in de voorziening van het bestaan. Indien een bijstandsgerechtigde echter een transitievergoeding ontvangt, die er expliciet ook op ziet om de overgang naar het betaald werk te vergemakkelijken, kan ik mij voorstellen dat het college geen verlaging wegens tekortschietend besef oplegt als een bijstandsgerechtigde sneller heeft ingeteerd dan toegestaan volgens de interingsnorm omdat hij de transitievergoeding aantoonbaar heeft ingezet om zich zelf om te scholen, bij te scholen of anderzijds de overgang naar betaald werk heeft willen bevorderen.

Transitievergoeding ontvangen tijdens bijstandsuitkering
Het kan ook voorkomen dat een bijstandsgerechtigde arbeid verricht terwijl hij een aanvullende bijstandsuitkering ontvangt. Als de arbeidsovereenkomst in die gevallen eindigt en hij een transitievergoeding ontvangt moet deze volgens ons worden toegerekend aan het vermogen, zoals al eerder aan bod is gekomen. Indien dit tot onwenselijke situaties leidt kan het college de mogelijkheid onderzoeken om de transitievergoeding vrij te laten op grond van artikel 31 lid 2 onderdeel m Participatiewet. Hierin wordt geregeld dat het college vergoedingen voor materiële en immateriële schade buiten beschouwing kan laten bij de beoordeling van het recht op bijstand voor zover deze vergoeding naar het oordeel van het college uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn.

Op grond van artikel 31 lid 2 onderdeel m Participatiewet zou het college tot de conclusie kunnen komen om de transitievergoeding niet mee te tellen als inkomen of vermogen indien de bijstandsgerechtigde deze aanwendt voor de overgang naar ander betaald werk. In deze beoordeling zou ook nog meegewogen kunnen worden in hoeverre het voor de bijstandsgerechtigde mogelijk is eenzelfde resultaat te bereiken middels re-integratievoorzieningen die worden verzorgd door het college op grond van de Participatiewet,  nu het in deze situatie per definitie bijstandsgerechtigden betreffen.

Over de juridische zuiverheid van deze handelwijze kan overigens worden getwist nu artikel 31 lid 2 onderdeel m Participatiewet ziet op schadevergoedingen en de transitievergoeding daar enerzijds wel voor bedoeld is (compensatie voor het ontslag), maar anderzijds expliciet niet (de overgang naar betaald werk vergemakkelijken). Artikel 31 lid 2 onderdeel m Participatiewet kan voor het college in ieder geval als een praktisch hulpmiddel fungeren indien het naar zijn oordeel ongewenste situaties wenst te voorkomen.

Conclusie
Alhoewel een ontslagvergoeding in bijstandsverband in beginsel volgens vaste jurisprudentie van de CRvB moet worden aangemerkt als inkomen menen de auteurs van Grip op Participatiewet dat het niet ondenkbaar is dat van deze lijn afgestapt kan worden bij de transitievergoeding wegens zijn expliciet andere karakter. Het is volgens ons goed voor te stellen dat de transitievergoeding in het kader van de bijstand zodoende niet aangemerkt moet worden als inkomen, maar als vermogen. Door zijn bijzondere karakter kunnen colleges in den lande vervolgens het interen op de transitievergoeding op een andere manier beoordelen dan bij het interen op regulier vermogen. Deze andere beoordeling is in dan in wezen weer in lijn met de geest van de vaste jurisprudentie van de CRvB omtrent de oude ontslagvergoedingen. De transitievergoeding heeft immers een andere bestemming dan om te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan voor de periode na ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

Reageren