Aap, noot, mies in de bijstand

Aap, noot, mies in de bijstand

Uitbreiding aan de bijstand verbonden verplichtingen

Opinie
25 maart 2015

De Eerste Kamer heeft op dinsdag 17 maart 2015 de Wet taaleis Participatiewet aangenomen. Met dit wetsvoorstel wordt beoogd de Nederlandse taalvaardigheid van bijstandsgerechtigden te verhogen en daarmee hun kansen op de arbeidsmarkt te vergroten. Het wetsvoorstel voorziet in het opnemen van beheersing van de Nederlandse taal op minimaal referentieniveau 1F als aan de bijstandsverlening verbonden verplichting, met een toets en bijpassend maatregelenregime. De beoogde inwerkingtreding van de wet is 1 juli 2015. Voor het zittend bestand gaat de taaleis pas gelden vanaf 1 januari 2016. Met de taaleis worden de bestaande mogelijkheden om bijstandsgerechtigden te stimuleren Nederlands te leren verder uitgediept.

Door het wetsvoorstel Wet taaleis Participatiewet wordt - in aanvulling op de bestaande verplichtingen - aan de bijstandsverlening expliciet de verplichting verbonden de Nederlandse taal voldoende te beheersen. Aan bijstandsgerechtigden wordt die verplichting  opgelegd met het doel dat zij zo snel mogelijk de arbeidsmarkt kunnen betreden. De taaleis bestaat uit de onderdelen spreekvaardigheid, luistervaardigheid, schrijfvaardigheid, leesvaardigheid en gespreksvaardigheid. De gemeente moet de bijstand verlagen indien er een redelijk vermoeden aanwezig is dat de bijstandsgerechtigde niet of in onvoldoende mate de Nederlandse taal beheerst, noodzakelijk voor het naar vermogen verkrijgen, aanvaarden en het behouden van algemeen geaccepteerde arbeid. Het beheersen van de Nederlandse taal betreft een inspanningsverplichting, omdat het wetsvoorstel ruimte biedt aan bijstandsgerechtigden om de Nederlandse taal te leren. Is het niveau van taalbeheersing onvoldoende, dan moeten bijstandsgerechtigden hiermee aan de slag gaan en zich inspannen om de Nederlandse taal te beheersen gericht op toeleiding naar de arbeidsmarkt.

Verlaging bijstand
Er wordt een taaltoets afgenomen als de bijstandsgerechtigde geen bewijsstukken kan overleggen waaruit blijkt dat hij de Nederlandse taal op referentieniveau 1F beheerst. Dit is het geval indien hij:
• niet gedurende 8 jaar Nederlandstalig onderwijs heeft gevolgd;
• geen diploma inburgering kan overleggen; en/of
• geen ander document kan overleggen waaruit blijkt dat hij de Nederlandse taal beheerst.

De gemeenten zijn vrij in het kiezen of ontwikkelen van een geschikte taaltoets. De toets moet wel voldoen aan regels die nog bij algemene maatregel van bestuur worden vastgesteld. Indien uit de toets blijkt dat de bijstandsgerechtigde niet of in onvoldoende mate de Nederlandse taal beheerst, wordt de bijstand verlaagd. Hier zijn echter enkele uitzonderingen op. Ten eerste vindt er geen verlaging plaats indien verwijtbaarheid geheel ontbreekt. Persoonlijke omstandigheden als dyslexie, analfabetisme, leerproblemen, cognitieve problemen, gezondheidsredenen en/of medische gronden en audio- en visuele beperkingen, zijn bijvoorbeeld omstandigheden die in de beoordeling van de verwijtbaarheid een rol kunnen spelen. Ten tweede wordt de bijstand niet verlaagd indien een bijstandsgerechtigde zich bereid verklaart te starten met het verwerven van de vaardigheden in de Nederlandse taal en na die aanvang voldoet aan de voortgang die van hem mag worden verwacht bij het verwerven van de vaardigheden in de Nederlandse taal. Het is echter niet duidelijk wanneer er sprake is van het 'zich bereid verklaren'. Is een enkele toezegging van de bijstandsgerechtigde, bijvoorbeeld in de vorm van een telefoontje, voldoende of moet dit schriftelijk gebeuren? De wetgever lijkt dit aan de gemeente over te laten. Bovendien kunnen gemeenten – in overleg met de bijstandsgerechtigde - bepalen op welke manier deze gaat werken aan de verbetering van zijn of haar taalbeheersing. Dit kan via een taalcursus, aangeboden door de gemeente of door een externe partij, maar ook op informele wijze via een taalmaatje of via digitale leermiddelen. Vooral bij de informele manier kan het moeilijk zijn de voortgang te meten. De beoordeling van de voortgang is door de wet gever aan de vrijheid van gemeenten overgelaten. Hierbij is van belang dat niet van iedereen hetzelfde tempo kan worden verwacht en de voortgang dus een individuele beoordeling betreft.

Dringende redenen
Verder kan een verlaging worden afgestemd op de omstandigheden van een belanghebbende indien, gelet op bijzondere omstandigheden, dringende redenen daartoe noodzaken. Dit is niet anders dan bij de bestaande verlagingen het geval is.

Getrapte verlaging
De Participatiewet voorziet in een getrapt systeem van verlaging van de bijstand indien een bijstandsgerechtigde de taaleis onvoldoende nakomt. De verlaging van de uitkering bedraagt 20 procent van de bijstandsnorm gedurende de eerste 6 maanden na het bestaan van het redelijk vermoeden dat de bijstandsgerechtigde de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst. Wanneer de bijstandsgerechtigde na 6 maanden niet voldoet aan de verwachtingen met betrekking tot de voortgang bij het leren van de Nederlandse taal, of als uit de toets blijkt dat deze persoon het gewenste niveau nog niet beheerst, wordt de bijstand verlaagd met 40 procent. Pas wanneer belanghebbende na 1 jaar niet voldoet aan de voortgang die van hem mag worden verwacht, wordt de bijstand met 100 procent verlaagd.

Uitbreiding van verplichtingen
Wij plaatsen vraagtekens bij de toegevoegde waarde van de taaleis aan de al bestaande aan de bijstand verbonden verplichtingen. Een bijstandsgerechtigde kan nu al worden verplicht de Nederlandse taal te leren, bijvoorbeeld door het volgen van een taalcursus. Dit kan bijvoorbeeld worden geschaard onder het verkrijgen en behouden van kennis en vaardigheden voor zover noodzakelijk voor de arbeidsinschakeling.

Dit kan ook met een casus worden geïllustreerd. Stel: een bijstandsgerechtigde beschikt over bewijsstukken waaruit blijkt dat hij de Nederlandse taal op referentieniveau 1F beheerst. Niettemin vindt de gemeenteambtenaar dat de bijstandsgerechtigde de taal onvoldoende beheerst om kans te maken op de arbeidsmarkt en verplicht hem daarom tot het volgen van een taalcursus. De taaleisverplichting is in dat geval niet van toepassing. Wél kan wordenverdedigd dat de bijstandsgerechtigde zijn kennis en vaardigheden ten behoeve van arbeidsinschakeling moet onderhouden. Dit is een geüniformeerde arbeidsverplichting (zie hierover ook het opiniestuk 'Standaardmaatregel buitenproportioneel. Schending geüniformeerde arbeidsverplichtingen' van Lance op den Camp). Voldoende beheersing van de Nederlandse taal valt hier ook onder. De gemeente kan in dit kader verplichtingen aan een bijstandsgerechtigde opleggen en zijn bijstand afstemmen wanneer hij hier geen of onvoldoende gehoor aan geeft. Een taalkennisvoorziening kan bovendien ook al als re-integratievoorziening worden ingezet.

De mogelijkheid om een bijstandsgerechtigde te verplichten de Nederlandse taal te leren in verband met zijn arbeidsinschakeling is dus al aanwezig in de Participatiewet. De taaleis lijkt dan ook mede vanuit politieke overwegingen te zijn geïntroduceerd. Zo benadrukt de regering hiermee het grote belang dat zij hecht aan de beheersing van de Nederlandse taal in het kader van arbeidsinschakeling van bijstandsgerechtigden. De taaleis moet volgens de regering niet slechts onderdeel uit maken van de geharmoniseerde verplichtingen in de Participatiewet. Daarom is er een apart wettelijk kader opgenomen. Daarnaast zal nu aan de poort bij de toekenning van een nieuwe bijstandsaanvraag telkens worden getoetst of de bijstandsgerechtigde de Nederlandse taal op minimaal referentieniveau 1F beheerst. Dit gaat ons inziens verder dan het enkel toetsen van de taalvaardigheid indien dat van belang is voor de arbeidsinschakeling.

Inburgering
De regering geeft aan dat wanneer een bijstandsgerechtigde op grond van de Wet inburgering reeds is begonnen met een traject gericht op verbetering van zijn beheersing van de Nederlandse taal, dit vanuit de aan de bijstand verbonden taaleis kan worden beschouwd als voldoende inspanning de taal te leren. De gemeente zal wel moeten monitoren welke mate van voortgang tijdens het traject wordt gemaakt. Zie het opiniestuk 'Taaleisen in de Participatiewet. Over de verschillen met de Wet inburgering en wat beide wetten met elkaar verbindt' van Guido le Noble voor de belangrijkste verschillen en een paar punten die de taaleis in de Participatiewet en de Wet inburgering met elkaar verbinden.

Wij houden u op de hoogte
De gemeente zal invulling moeten geven aan de Wet taaleis Participatiewet. Bovendien zal er nog een algemene maatregel van bestuur verschijnen met regels over de (invulling van de door de gemeente aan te wijzen) taaltoets. Wij houden u op de hoogte van de ontwikkelingen.

Deze opinie is geschreven in samenwerking met Iris Naus, stagiaire bij Schulinck.

Reageren