Samenwonende 2e graads bloedverwanten met zorgbehoefte

Samenwonende 2e graads bloedverwanten met zorgbehoefte

Wetgever: straks bijstand naar de gehuwdennorm

Opinie
Bewaren in kennisdossier
01 mei 2019

Een broer en zus wonen samen en één van hen heeft intensieve zorg nodig, welke wordt verleend door de ander. Op dit moment regelt de Participatiewet dat broer en zus in zo’n geval niet gelijkgesteld worden met ‘gehuwden’ waardoor bijvoorbeeld het inkomen van de één, niet meetelt bij het beoordelen van het recht op bijstand van de ander. Beide bloedverwanten worden op dit moment nog als alleenstaand aangemerkt. Door het wetsvoorstel dat op 25 maart 2019 is ingediend bij de Tweede Kamer gaat hier verandering in komen; de uitzondering op de gelijkstelling met gehuwden voor bloedverwanten in de tweede graad waarbij sprake is van een zorgbehoefte, zal worden geschrapt (artikel 3 lid 2 aanhef en onder a Participatiewet). 

Discriminatieverbod

Het wetsvoorstel is niet uit de lucht komen vallen. De aanleiding van het wetsvoorstel is de uitspraak van de CRvB van eind 2016 (CRvB 06-12-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4487 met annotatie van mr. Sacha Brakel) en het arrest van de Hoge Raad van eind 2017 (HR 08-12-2017, ECLI:NL:HR:2017:3081 met annotatie van mr. Lance op den Camp). Het betrof een bijstandsgerechtige die na een reeks herseninfarcten in een rolstoel belandde. Zij had iemand aangenomen om haar te helpen op basis van een pgb en deze persoon woonde bij haar in huis. Volgens het college was hier sprake van een gezamenlijke huishouding. Door het pgb-inkomen van de zorgverlener werd het recht op bijstand ingetrokken. Weliswaar was bij één van hen sprake van een zorgbehoefte, maar het betroffen geen tweedegraads bloedverwanten.  Kort samengevat heeft de Hoge Raad, in navolging van de CRvB geoordeeld dat het onderscheid dat in de Participatiewet wordt gemaakt tussen samenwonende bloedverwanten in de tweede graad en andere samenwonenden, in de situatie dat één van hen intensieve zorg nodig heeft, in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 26 IVBPR (Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten). Het is vanwege het discriminatoire karakter dus ongewenst een wettelijke uitzondering te treffen voor (uitsluitend) bloedverwanten in de tweede graad. De Hoge Raad heeft de wetgever opgedragen om de discriminatie ongedaan te maken en de wetgeving op dit punt aan te passen.

De gekozen oplossing

De wetgever heeft er nu dus voor gekozen om de uitzondering van bloedverwanten in de tweede graad, waarbij sprake is van een zorgbehoefte, in het geheel te schrappen. Hiermee wordt de discriminatie in artikel 3 lid 2 aanhef en onder a Participatiewet opgeheven. Immers alle ongehuwd samenwonende personen (met uitzondering van eerstegraads bloed- en aanverwanten) die het hoofdverblijf bij elkaar hebben en wederzijdse zorg leveren, voeren dan een gezamenlijke huishouding die gelijkgesteld wordt met gehuwden. Had de wetgever ook voor een andere oplossing kunnen kiezen om de discriminatie op te heffen? Gedacht kan worden aan de door de CRvB voorgestelde alternatieve oplossing, door de uitzondering die geldt voor ongehuwde samenwonenden bloedverwanten in de tweede graad waarbij sprake is van een zorgbehoefte, óók toe te passen in de situatie van andere ongehuwd samenwonenden.

“Ik vind de keuze van de wetgever om uitzondering te schrappen heel begrijpelijk”

De Hoge Raad heeft in zijn arrest laten doorschemeren dat het openstellen van de uitzondering voor anderen dan bloedverwanten in de tweede graad, in strijd is met het uitgangspunt van de Participatiewet, dat bij een gezamenlijke huishouding rekening moet worden gehouden met de middelen van de partner. Gelet op dit uitgangspunt en de vangnetfunctie van de Participatiewet, vind ik de keuze van de wetgever om de discriminatie op te heffen door de uitzondering van bloedverwanten in de tweede graad in het geheel te schrappen, heel begrijpelijk. 

Gevolgen voor gemeente

Na inwerkingtreding van het wetsvoorstel worden tweedegraads bloedverwanten die een gezamenlijke huishouding voeren en waarbij sprake is van een zorgbehoefte, dus als gehuwden beschouwd. Dit betekent dat bij de middelentoets het gezamenlijke vermogen en de gezamenlijke inkomsten dan van belang zijn voor de beoordeling van het recht op bijstand. Het gevolg zou dan kunnen zijn dat in een geval de gezamenlijke inkomsten hoger zijn dan de gehuwdennorm, of als het gezamenlijke vermogen hoger is dan de van toepassing zijnde vermogensgrens, er geen recht op bijstand (meer) is. Met het oog op de rechtszekerheid is een overgangsregeling opgenomen; voor de door de regeling getroffen groep van bloedverwanten blijft gedurende twaalf maanden nog het oude regime gelden en zullen zij zolang nog als alleenstaand worden aangemerkt.

Het wetsvoorstel heeft overigens geen gevolgen in het geval sprake is van een kostendelerssituatie tussen samenwonende bloedverwanten in de tweede graad en één van hen zorgbehoeftig is. Zij zijn zelfstandig subject van bijstand en worden niet met gehuwden gelijkgesteld.

Individualisering

De wetgever geeft gemeenten nog mee dat in schrijnende gevallen individualisering kan plaatsvinden en de norm naar boven kan worden bijgesteld (op grond van artikel 18 lid 1 Participatiewet). Hierbij wil ik wel de kanttekening plaatsen dat van deze mogelijkheid alleen gebruik mag worden gemaakt als er sprake is van zeer bijzondere omstandigheden. De wetgever noemt hierbij als voorbeeld de situatie dat als gevolg van het wetsvoorstel wordt afgezien van het voeren van een gezamenlijke huishouding en dat daardoor opname in een Wlz-instelling aan de orde is.  

Reageren