Het toekennen van een resultaat binnen de Wmo en de Jeugdwet

Het toekennen van een resultaat binnen de Wmo en de Jeugdwet

Resultaatgerichte indicering blijft als het aan de minister ligt mogelijk

Opinie
Bewaren in kennisdossier
05 juni 2019

De Centrale Raad van Beroep (CRvB) maakte in oktober 2018 korte metten met de ‘zuivere’ resultaatgerichte indicering voor hulp bij het huishouden. Wanneer iemand aanspraak maakt op hulp bij het huishouden, dan moet diegene weten op hoe veel uur hulp hij concreet kan rekenen. In het kader van de rechtszekerheid is het niet toegestaan om enkel het resultaat ‘een schoon en leefbaar huis’ toe te kennen. Een heldere uitspraak van de CRvB die duidelijk maakt dat gemeenten hun werkwijze moeten aanpassen. Minister De Jonge van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) wil echter dat resultaatgericht indiceren mogelijk blijft en gaat hiervoor een wetsvoorstel indienen. 

Volgens de Minister kunnen gemeenten gewoon doorgaan met de resultaatgerichte indicering. Wel adviseert hij gemeenten om hun werkwijze zodanig aan te passen dat deze in lijn komt met zijn voorgenomen wetswijziging. Via deze wetswijziging moet de mogelijkheid om resultaatgericht te indiceren worden opgenomen in de Wmo 2015. Dit wil de Minister doen door het ondersteuningsplan een plek te geven in de wet. In het ondersteuningsplan moet vervolgens de ‘frequentie x activiteit’ worden benoemd. Voor de al afgegeven beschikkingen geeft de Minister het advies om de resultaatgerichte indicatie gewoon in stand te laten en pas met inwoners in gesprek te gaan als zij klachten of bezwaren kenbaar maken. 

Hoewel het vanuit uitvoeringsperspectief wellicht begrijpelijk is dat de Minister gemeenten adviseert niet voor korte tijd de werkwijze aan te passen, is het vanuit rechtsstatelijk perspectief toch ook wel opmerkelijk te noemen. In feite komt het er immers op neer dat de Minister gemeenten adviseert de uitspraken van de CRvB (grotendeels) langs zich neer te leggen. Gemeenten die dit advies volgen, zullen dus in strijd handelen met het rechtszekerheidsbeginsel totdat de wet gewijzigd is. En als die wijziging op korte termijn gerealiseerd zou zijn, was het nog te overzien. Maar het is zeer de vraag hoe snel het wetgevingstraject zal gaan. Er is tot op heden nog geen wetsvoorstel aanhangig gemaakt. Bovendien hebben verschillende belangenorganisaties al aangegeven niets in het wetsvoorstel te zien. Al met al zou het dus best een tijd kunnen gaan duren. Nog los van de vraag of de Tweede en Eerste Kamer het wetsvoorstel wel in deze vorm gaan aannemen.

Reikwijdte van het wetsvoorstel

De discussie rondom resultaatgericht indiceren speelt zich in de praktijk meestal vooral af rondom hulp bij het huishouden. De uitspraken van de CRvB zagen ook alleen op huishoudelijke hulp. Desondanks ligt het voor de hand dat resultaatgericht indiceren zonder het noemen van de factor ‘tijd’ onder de huidige wetgeving evenmin mogelijk is voor taken als begeleiding of jeugdhulp op grond van de Jeugdwet (zie daarover ook mijn eerdere opinie naar aanleiding van de CRvB-jurisprudentie).

Uit de brief van de Minister leid ik af dat hij het wetsvoorstel zo in wil richten dat het geldt voor het gehele Wmo-domein. Dat lijkt me verstandig, want er zijn veel gemeenten die ook bijvoorbeeld begeleiding indiceren in resultaten. Des te opvallender is het feit dat de Minister in alle talen zwijgt over de Jeugdwet. Resultaatgericht indiceren gebeurt immers ook bij verschillende vormen van jeugdhulp. Waarom dit moment dan niet aangrijpen om het meteen goed te regelen voor zowel de Wmo 2015 als de Jeugdwet?

 “Des te opvallender is het feit dat de Minister in alle talen zwijgt over de Jeugdwet.”

Ik kan me toch niet aan de indruk onttrekken dat de Minister hier een vorm van struisvogelpolitiek bedrijft. Binnen de Jeugdwet worden minder procedures gevoerd en deze kwestie heeft tot op heden nog niet bij een rechter op tafel gelegen. Het lijkt binnen de uitvoeringspraktijk ook nog tot weinig discussie te leiden. Misschien is dat de reden dat het ministerie ervoor heeft gekozen de Jeugdwet buiten het wetsvoorstel te laten. Maar dat is in mijn ogen toch wel vrij kortzichtig. Het is immers wachten op het moment dat die eerste uitspraak er wél komt. Tijd dus om, net zoals van gemeenten wordt verwacht, wat meer domeinoverstijgend te gaan kijken.

Reageren