Inkomen en vermogen niet toegestaan als weigeringsgrond in Wmo

Inkomen en vermogen niet toegestaan als weigeringsgrond in Wmo

De kogel is door de kerk

Opinie
27 november 2013

Veel gemeenten worstelen tot op heden nog met de vraag of je rekening mag houden met het inkomen en vermogen in het kader van de eigen verantwoordelijk en zelfredzaamheid binnen de Wmo. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft nu aan deze onduidelijkheid een einde gemaakt. De Raad oordeelde dat de eigen verantwoordelijkheid wel belangrijk is, maar dat gemeenten een Wmo-voorziening niet mogen weigeren op grond van het inkomen of vermogen van de aanvrager.

Gemeenten zagen in de compensatieplicht van artikel 4 Wmo de mogelijkheid om rekening te houden met het inkomen of vermogen van een belanghebbende. In de jurisprudentie is de mogelijkheid via artikel 4 lid 2 Wmo al langer uitgesloten. Uit een drietal uitspraken  (CRvB 19-12-2011, nr. 09/5990 WMO, CRvB 09-01-2012, nr. 11/6738 WMO-VV en CRvB 18-01-2012, nrs. 10/4441 WMO e.a.) volgt dat artikel 4 lid 2 Wmo alleen de mogelijkheid biedt voor het heffen van de eigen bijdrage en het eigen aandeel. Het biedt geen mogelijkheden voor andere financiële voorwaarden, zoals een besparingsbijdrage of inkomensgrens.

Artikel 4 lid 1 Wmo biedt ook geen ontsnappingsmogelijkheid meer

Veel gemeenten waren de mening toegedaan dat artikel 4 lid 1 Wmo nog uitkomst kon bieden. Op grond van dat lid moeten gemeenten compensatie bieden aan personen die beperkingen ondervinden in hun zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Uit de parlementaire behandeling volgt dat onder zelfredzaamheid wordt verstaan: “het lichamelijke, verstandelijke, geestelijke en financiële vermogen om zelf voorzieningen te treffen die deelname aan het normale maatschappelijke verkeer mogelijk maken”. De woorden "financiële vermogen" konden een ontsnappingsmogelijkheid bieden om alsnog rekening te houden met vermogen en inkomen. Helaas, die deur heeft de CRvB nu ook definitief dichtgegooid.

Eigen verantwoordelijkheid strekt niet zo ver dat voorziening mag worden onthouden door inkomen of vermogen

De CRvB is in drie recente uitspraken (CRvB 25-11-2013, nrs. 13/559 WMO e.a.CRvB 25-11-2013, nrs. 13/556 WMO e.a. en CRvB 25-11-2013, nrs. 13/379 WMO e.a.) weliswaar van oordeel dat bij de beoordeling van de zelfredzaamheid een substantiële betekenis toekomt aan de eigen verantwoordelijkheid. Maar gelet op de parlementaire geschiedenis en de samenhang tussen lid 1 en lid 2 van artikel 4 Wmo geeft de CRvB aan dat de eigen verantwoordelijkheid niet zover mag gaan dat een individuele Wmo-voorziening geheel of gedeeltelijk aan een aanvrager wordt onthouden op grond van het inkomen of vermogen. Dat doorkruist volgens de Raad de wettelijke eigenbijdrageregeling die op grond van de Wmo is getroffen. Gemeenten zouden daarmee inkomensbeleid kunnen gaan voeren, iets wat de centrale wetgever niet wil. Bovendien frustreert zo’n eigen beleid de wettelijk geregelde anticumulatie van eigen bijdragen op grond van de Wmo en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ), aldus de CRvB.

Financieel alleen rekening houden met eigen bijdrage en eigen aandeel

Wat moeten gemeenten uit deze uitspraak voor conclusies trekken? Waarschijnlijk moet het gemeentelijk beleid worden aangepast omdat er nog vaak wel naar inkomen en vermogen werd gekeken (bijvoorbeeld kunnen belanghebbenden een woonvoorziening zelf via een hypotheek aanschaffen). Maar het belangrijkste is dat deze, overigens wel te verwachten, uitspraak problemen zal opleveren voor menig Wmo-begroting. Financieel mag er nu echt alleen nog maar rekening worden gehouden met de eigen bijdrage en het eigen aandeel. 

Reageren