Niet altijd een m.e.r.-beoordelingsbesluit

Niet altijd een m.e.r.-beoordelingsbesluit

Opinie
14 augustus 2017

Moet voor iedere stedelijke ontwikkeling en wijziging op het industrieterrein een m.e.r.-beoordelingsbesluit worden genomen? 

Veel gemeenten worstelen sinds de recente wijziging van het Besluit m.e.r. met die vraag. Dient er voorafgaand aan het opstellen van een bestemmingsplan of afwijkingsvergunning nu wel of niet een m.e.r.-beoordelingsbesluit te worden genomen? Voor een aantal situaties is dat het geval. Toch behoeft ook niet te pas en te onpas een dergelijk besluit te worden genomen. Van belang is te beoordelen of het initiatief past onder de in het Besluit m.e.r. gedefinieerde activiteiten.

In de bijlagen van het Besluit m.e.r. zijn in kolom 1 van de zogenoemde D-lijst, activiteiten opgenomen waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. In kolom 2 van de D-lijst zijn een aantal drempelwaarden genoemd. Als de betreffende activiteit genoemd staat in kolom 1: 'activiteiten' en er wordt voldaan aan de drempelwaarden in kolom 2: 'gevallen' geldt voor het te nemen besluit een m.e.r.-beoordelingsplicht. Indien niet werd voldaan aan de drempelwaarde gold voorheen een vormvrije m.e.r.-beoordeling.

Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is moet een m.e.r.-beoordelingsbesluit worden genomen. Dit houdt in dat in afwijking van voorheen voor iedere activiteit dat wordt genoemd in kolom 1 en onder de drempelwaarde blijft van gevallen in kolom 2, een m.e.r.-beoordelingsbesluit moet worden genomen. Omdat de beschrijvingen in kolom 1 en 2 van elkaar kunnen verschillen ontstaat er verwarring.

Ter illustratie het volgende:

 

Kolom 1

Kolom 2

Kolom 3

Kolom 4

 

Activiteiten

Gevallen

Plannen

Besluiten

D 11.2

De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.

In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op:

1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer,

2°. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of

3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

De structuurvisie, bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.

De vaststelling van het plan, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.

Uit bijlage onderdeel D, Besluit milieueffectrapportage.

Wanneer een woningbouwplan wordt getoetst aan onderdeel D en wordt gekeken in kolom 2 van de D-lijst, is hier een drempelwaarde opgenomen voor ‘2000 of meer woningen’. Moet het bevoegd gezag dan een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen, ook wanneer er aansluitend op een woonwijk een uitbreiding plaatsvindt met één woning? Er wordt in kolom 2 immers specifiek gesproken over woningen. Toch ben ik van mening dat er geen m.e.r.-beoordelingsbesluit behoeft te worden genomen. De activiteit de bouw van één enkele woning zonder enige andere ontwikkeling valt mijns inziens niet binnen de definitie van kolom 1, ‘een stedelijk ontwikkelingsproject’. Indien een activiteit niet binnen de definitie van kolom 1 valt, dan kom je niet toe aan een toetsing aan kolom 2. Het nemen van een m.e.r.-beoordelingsbesluit is dan niet noodzakelijk.

Van belang is te beoordelen of het initiatief past onder de in het Besluit m.e.r. gedefinieerde activiteiten.

Ook bij andere activiteiten dient te worden beoordeeld of een activiteit wel is bedoeld in kolom 1. Het uitvoeren van een kavelruil is niet per definitief gelijk aan een landinrichtingsproject (D 9), het vergroten van de bouwmogelijkheden voor één bedrijf binnen een industrieterrein is niet gelijk aan een vergroting van het industrieterrein (D 11.3) en de oprichting van een windmolen betekent niet dat er sprake is van de oprichting van een windmolenpark (D22.2).

Het e.e.a. vloeit voort uit de implementatie van EU-richtlijnen. In de Interpretation of definitions of project categories of annex I and II of the EIA Directive van de European Union, is een nadere toelichting te vinden op de ‘activiteiten’ uit kolom 1. Ook is en zal in de jurisprudentie blijken wanneer een activiteit behoort tot de in het Besluit genoemde activiteiten.

Reageren