Focus op: Schuldhulpverlening (deel 2)

fotoVorige keer besteedden we aandacht aan het wetsvoorstel Schuldhulpverlening,dat door staatssecretaris Klijnsma is ingediend. Voor wie die column heeft gemist: hij is terug te vinden in het archief. Collega Kyra von Weersch besprak de regierol van de gemeente, de wachttijden en de wenselijkheid van een balie voor schuldhulpverlening bij de gemeente. Deze week neem ik het analyse-stokje van haar over en ga ik in op andere aspecten van het wetsvoorstel Schuldhulpverlening.

In het wetsvoorstel is maar weinig geregeld. Wilt u als gemeente weten waar u aan toe bent, dan is het aan te raden om vooral de Memorie van Toelichting door te spitten. En wat treft u daar aan? Veel wensen van de regering over hoe u moet handelen. Neem nu bijvoorbeeld de kwaliteit. Het is bekend dat schuldeisers graag eenduidige en kwalitatief goede schuldhulpverlening willen van gemeenten. Onzekerheid daarover leidt tot het niet meewerken aan het schuldregelingsvoorstel. Was het wetsvoorstel niet de uitgelezen kans om de kwaliteit van schuldhulpverlening te regelen? Blijkbaar niet. De regering hoopt (in de Memorie van Toelichting) dat u werkt of gaat werken volgens de normen die de NEN voorschrijft of dat u de vernieuwde werkwijze van de NVVK hanteert. U kunt dus uw kwaliteit niet op wettelijke basis garanderen richting schuldeisers. Hoe fijn was het geweest als u dan in ieder geval de mogelijkheid had om acties van schuldeisers tijdelijk te stoppen: een wettelijk moratorium. Helaas is dat niet opgenomen in het wetsvoorstel. De mogelijkheden worden nog onderzocht. Het zou zeker een stap vooruit zijn.

Niet alleen gemeenten en schuldeisers krijgen maar weinig verplichtingen met dit wetsvoorstel. Ook de schuldenaar krijgt de ruimte. Het recht op schuldhulpverlening gaat gepaard met slechts twee verplichtingen: hij moet zich identificeren en meewerken. Over wat er gebeurt als hij die plicht niet nakomt, is niets opgenomen. In feite is de enige mogelijke maatregel het beëindigen van het traject, maar dat is natuurlijk niet wenselijk. Kijken we naar de Memorie van Toelichting, dan is daar te lezen dat de gemeente met positieve prikkels moet gaan werken. Schuldenaren die hun verplichtingen nakomen moet je belonen. Dat kan door ze bijvoorbeeld een minimavoorziening toe te kennen, ook al is hun inkomen daar eigenlijk te hoog voor. Wil je als wetgever consequenties aangeven, neem die dan op in het wetsvoorstel zelf. Een andere mogelijkheid is om een verordeningsplicht op te nemen, zodat de gemeente zelf het beleid over verplichtingen en maatregelen kan formuleren. Die verordeningsplicht had veel van de tekortkomingen van het wetsvoorstel kunnen oplossen.

Tot slot: in het wetsvoorstel is niets opgenomen over bezwaar en beroep. In de Memorie van Toelichting kom ik tegen dat een besluit van de gemeente moet worden gezien als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Als u besluit dat meneer Jansen geen recht heeft op schuldhulpverlening, dan kan hij dus in bezwaar, beroep en hoger beroep. Maar wat schetst de verbazing? In de Memorie van Toelichting kom ik ook tegen dat meneer Jansen naast het bezwaar, beroep en hoger beroep ook een klacht kan indienen tegen dat besluit bij de gemeente, de gemeentelijke ombudsman of de landelijke ombudsman - allemaal tegelijk!

Met mij had ook de Tweede Kamer veel aan te merken op het wetsvoorstel. Ik ben benieuwd hoe de wet uiteindelijk eruit gaat zien. Wilt u verder discussiëren over dit onderwerp? Dat kan op forum.schulinck.nl.

Laura van Dongen
Vakredacteur Handboek Schuldhulpverlening

zoeken