schulink Jaargang 7 - nr. 26, 22 december 2010

Inleiding

Via deze nieuwsbrief informeren we u iedere twee weken gratis over actuele ontwikkelingen in de Wmo-jurisprudentie. Daarbij verdelen we de uitspraken in twee categorieŽn: belangrijke en overige.
Van belangrijke uitspraken wordt in ieder geval een samenvatting weergegeven. Daarnaast zijn belangrijke uitspraken zoveel mogelijk voorzien van deskundig commentaar (annotaties). Van de overige uitspraken worden slechts de rechtsregels weergegeven.

Alle uitspraken die in deze nieuwsbrief verschijnen, worden tevens verwerkt in het Schulinck Handboek Wmo.

De lengte van deze nieuwsbrief varieert al naargelang het aanbod van rechterlijke uitspraken.

Heeft u commentaar of suggesties, neem dan contact met ons op. Onze adresgegevens staan in het colofon aan het einde van deze nieuwsbrief. Let op! Reacties die gestuurd worden naar nieuwsbrief@schulinck.nl worden niet gelezen door Schulinck.

Wilt u meer weten over het Schulinck Handboek Wmo, lees dan de productinformatie op onze website.

Naar boven


Rechtbank Arnhem 19-10-2010, nr. AWB 10/1224, LJN: BO1804 (met noot mr. Paul Jeukens)

Trefwoorden

driewielfiets, zelfstandige verplaatsingsbehoefte, kinderen, persoonskenmerken en behoeften, maatschappelijke leven, motivering

Samenvatting

Het college heeft de aanvraag van 4,5-jarige belanghebbende om een vervoersvoorziening in de vorm van een aangepaste driewielfiets afgewezen omdat belanghebbende ook zonder de driewielfiets voldoende wordt gecompenseerd in zijn zelfredzaamheid en participatiebehoefte, hij gelet op zijn leeftijd geen zelfstandige vervoersbehoefte heeft en omdat de driewielfiets geen bijdrage levert aan het ontmoeten van de medemens omdat belanghebbende dat ook zonder driewielfiets kan doen.

Bij het standpunt van het college dat belanghebbende geen zelfstandige vervoersbehoefte heeft, is het college ervan uit gegaan de driewielfiets wordt gebruikt bij het wandelen met het gezin, het bezoeken van familie en van winkels in het dorp en dat hij deze activiteiten niet zelfstandig onderneemt. Nu belanghebbende regelmatig wordt meegenomen in het kinderzitje achter op de fiets bij zijn ouders of in de buggy, is het college van mening dat belanghebbende voldoende wordt gecompenseerd in zijn zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Het spelen in en rond het huis kan volgens het college ook zonder driewielfiets. De rechtbank oordeelt dat het college zich bij zijn standpunt onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de specifieke behoeften en wensen van belanghebbende, nu de ouders van belanghebbende in bezwaar hebben aangevoerd dat belanghebbende, net als ieder ander kind van zijn leeftijd, gewoon wil mee functioneren en zich zelfstandig binnen de wijk wil verplaatsen. Daarbij is het volgens de revalidatiearts ook belangrijk dat belanghebbende de benodigde beweging krijgt.

Nu het voorgaande op zichzelf door het college niet is bestreden, stelt de rechtbank vast dat belanghebbende een zelfstandige verplaatsingsbehoefte heeft. De rechtbank kan het betoog van het college, dat kinderen jonger dan 6 jaar worden geacht geen eigen vervoersbehoefte te hebben, niet volgen omdat de Wmo juist vereist dat de beperkingen, de persoonskenmerken en de behoeften van de specifieke persoon moeten worden geïnventariseerd. Volgens de rechtbank vormen de activiteiten waarbij belanghebbende zich zelfstandig wil verplaatsen, zoals naar een vriendje gaan, naar school of opa en oma en door mee te doen met andere kinderen, een onderdeel van het maatschappelijke leven van belanghebbende. Dit geldt evenzeer voor het gebruik van een driewielfiets met het doel recreatie en sport. Anders dan het college heeft betoogd, voorziet een nieuwe, aangepaste driewielfiets in deze behoefte, aangezien door de groeistoornis van belanghebbende het lopen voor hem een te grote belasting vormt, hij een beperkt uithoudingsvermogen heeft en zijn loopafstand beperkt is, welke beperkingen op zichzelf evenmin door het college zijn weersproken. Het standpunt van het college dat de driewielfiets voor belanghebbende geen meerwaarde heeft, heeft het college niet deugdelijk gemotiveerd en wordt door de rechtbank gelet op het voorgaande ook niet gevolgd.

Het besluit van het college is in strijd genomen met de artikelen 4 en 26 Wmo en de rechtbank verklaart het beroep gegrond. De rechtbank voorziet zelf in de zaak en bepaalt dat het college aan belanghebbende een driewielfiets moet verstrekken.

Noot (mr. Paul Jeukens)

Er kan niet vaak genoeg gewezen worden op het belang van een (goed) onderzoek naar de relevante feiten en omstandigheden. Het komt immers regelmatig voor dat de rechtbank het beroep gegrond verklaard enkel en alleen omdat het college niet of onvoldoende heeft voldaan aan de onderzoeksplicht. Het voldoen aan de onderzoeksplicht bij de beoordeling van een aanvraag lijkt op het eerste gezicht misschien gemakkelijk, maar dat blijkt het niet altijd te zijn. In onderhavige uitspraak heeft het college naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan aan de onderzoeksplicht, door onvoldoende rekenschap te geven van de specifieke behoeften en wensen van belanghebbende, een kind van 4,5 jaar. Die conclusie van de rechtbank is mijns inziens terecht.

Het college heeft immers door geen rekenschap te geven van de specifieke behoeften en wensen niet voldaan aan de compensatieplicht en het bijbehorende onderzoek. De CRvB heeft de compensatieplicht vanaf het begin (zie CRvB 10-12-2008, nr. 08/3206 WMO met noot van mr. Hans van Rooij in NB-JP Wmo 2009/02) neergezet als een resultaatsverplichting. In die en latere uitspraken, zoals CRvB 28-10-2009, nr. 08/1600 WMO en CRvB 17-11-2009, nrs. 09/341 WMO e.a. stelt de CRvB dat het college de rechtsplicht heeft om in elk concreet geval een voorziening te treffen die zich kwalificeert als compensatie van beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Artikel 4 Wmo legt het college, wat dat aangaat, de plicht op om een resultaat te bereiken dat als compensatie mag gelden. Door geen rekenschap te geven van de specifieke behoeften en wensen kan het college mijns inziens niet goed bepalen wat in het concrete geval als compensatie moet worden aangemerkt.

Bovendien heeft het college het standpunt gehanteerd dat het kind geen zelfstandige vervoersbehoefte heeft. Daarbij heeft het college enkel onder verwijzing naar jurisprudentie over vervoerskostenvergoedingen in het kader van de WAO en de AAW betoogd dat kinderen jonger dan 6 jaar geacht worden geen eigen vervoersbehoefte te hebben. Dat betoog volgt de rechtbank niet, omdat de Wmo juist vereist dat de beperkingen, de persoonskenmerken en de behoeften van de specifieke persoon moeten worden geïnventariseerd. Hierbij had de rechtbank ook nog aansluiting kunnen zoeken bij CRvB 12-01-2010, nr. 08/6555 WMO, waarin de CRvB oordeelt dat ingevolge de Wmo geldende vereisten ten aanzien van de voorbereiding van een besluit, het bij dit besluit te bewerkstelligen resultaat en de daarmee verband houdende verzwaarde motiveringsverplichting niet op één lijn zijn te stellen met de uit de WVG voortvloeiende verplichtingen. Uit onderhavige uitspraak, en ook CRvB 12-01-2010, nr. 08/6555 WMO, kan de wijze les worden getrokken dat gehanteerde uitgangspunten ten aanzien van andere wetten, zoals de WVG, niet één op één kunnen worden toegepast in het kader van de Wmo. Indien het college dat wel wenst te doen, dan moet het college in ieder geval goed motiveren op welke wijze die uitgangspunten binnen de Wmo passen.

Wat de (zelfstandige) vervoersbehoefte van iemand is, zal telkens uit individueel onderzoek moeten blijken. Het zelfstandig verplaatsen door het kind, zoals naar een vriendje gaan, naar school of opa en oma en door mee te doen met andere kinderen, maakt volgens de rechtbank onderdeel uit van het maatschappelijke leven. Dit geldt evenzeer voor het gebruik van een driewielfiets met het doel recreatie en sport. Gelet op die gewenste activiteiten acht ik de kans groot dat uit de meeste onderzoeken naar de behoeften en persoonskenmerken bij ieder ander kind in dezelfde leeftijdscategorie een soortgelijke (zelfstandige) vervoersbehoefte zal blijken.

Naar boven


Overige uitspraken

Rechtbank Rotterdam 16-12-2010, nrs. AWB 10/436 WMO-T2 e.a., LJN: BO7544

Doordat de WWB en de Wmo geen voorschriften bevatten waarbinnen een besluit op aanvraag dient te worden genomen en ook in de Wmo-verordening een dergelijk voorschrift niet is opgenomen, moet aansluiting worden gezocht bij de redelijke termijn als bedoeld in artikel 4:13 lid 1 Awb.

Het spoedeisend karakter van een aanvraag kan met zich brengen dat een beslistermijn van enkele weken of - in uitzonderlijke gevallen - zelfs enkele dagen als de redelijke termijn in de zin van artikel 4:13 lid 1 Awb moet worden aangemerkt. Bij een beslistermijn van enkele dagen als redelijke termijn valt te denken aan gevallen waarin de rechtsbescherming vereist dat snel wordt beslist en snel een voorziening kan worden gevraagd met het oog op een (dreigende) onomkeerbare of schrijnende situatie. Van een (dreigende) onomkeerbare of schrijnende situatie zal sprake (kunnen) zijn indien de gemeente noch rechtstreeks noch indirect via andere instanties enige feitelijke opvang biedt aan hulpbehoevenden.

Voor de toepassing van artikel 6:20 lid 3 Awb is niet vereist dat ten tijde van het instellen van beroep de beslistermijn daadwerkelijk is verstreken.

CRvB 09-12-2010, nr 10/850 ALGEM, LJN: BO7432

Het ontbreken van een bezwaarclausule onder een primair besluit leidt niet zonder meer tot het aannemen van verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding.

Een verandering van rechtspraak kan niet worden aangemerkt als een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid.

CRvB 08-12-2010, nr. 08/4733 WVG, LJN: BO6926

Het indienen van gronden door middel van een faxbericht is op zichzelf aan te merken als een toelaatbare wijze van verzending, waarbij de aan deze wijze van verzending verbonden risico's voor rekening van de verzender komen.

Bij het indienen van gronden door middel van een faxbericht ligt het, mocht de ontvangst door de geadresseerde betwist worden, op de weg van de verzender de verzending aannemelijk te maken.

Een mededeling "status OK" op het verzendjournaal is een indicatie dat een faxbericht is verzonden en ontvangen, zij het geen sluitend bewijs ervan.

Enkel de vermelding van de datum op een kopie van een faxbericht maakt niet aannemelijk dat het bericht op die datum is verzonden.

Rechtbank Groningen 02-12-2010, nr. AWB 10/555, LJN: BO7149

Belanghebbenden kunnen in algemene zin rechten ontlenen aan de Wmo, maar het is op grond van artikel 5 Wmo aan gemeenten om nadere regels te stellen die binnen het grondgebied van die gemeenten gelden.

Voor het oordeel dat personen die geen ingezetene zijn van een bepaalde gemeente bij die gemeente een beroep moeten kunnen doen op de Wmo zijn in de Wmo noch in de wetsgeschiedenis aanknopingpunten te vinden.

Gezien de aard en strekking van de Wmo, mede bezien in het licht van de jurisprudentie van de CRvB, ligt het voor de hand dat gemeenten bij Wmo-verordening het recht van niet-ingezetenen op individuele voorzieningen kunnen uitsluiten.

CRvB 17-11-2010, nrs. 08/5873 WMO e.a., LJN: BO6880

Het college kan ter zake van de rechtsvaststelling van de eigen bijdrage niet als belanghebbende worden aangemerkt.

Op grond van artikel 15 lid 1 Wmo is de gemeenteraad bevoegd te bepalen of de in deze bepaling omschreven persoon een eigen bijdrage is verschuldigd voor de aan hem verleende maatschappelijke ondersteuning.

Indien de gemeenteraad in de Wmo-verordening heeft bepaald voor welke Wmo-voorzieningen een eigen bijdrage is verschuldigd, dan verzet de aard van de bevoegdheid zich, gelet op de tekst van artikel 15 lid 1 Wmo enerzijds en anderzijds het feit dat de hoogte van de vast te stellen eigen bijdrage wordt begrensd door het op artikel 15 lid 3 Wmo gebaseerde artikel 4.1 Besluit maatschappelijke ondersteuning, niet tegen het geven van de opdracht aan het college tot het nader bepalen voor welke voorzieningen een eigen bijdrage is verschuldigd en het vaststellen van de omvang van de eigen bijdrage aan het college.

Uit het wettelijke systeem volgt dat het CAK in het kader van de primaire besluitvorming in beginsel mag uitgaan van de door de gemeente en de zorgaanbieder verstrekte gegevens over de verleende zorg, tenzij sprake is van een uit een gemotiveerde betwisting blijkende kennelijke fout van de zorgaanbieder en/of de gemeente, die door het CAK moet worden geredresseerd.

Als het college in het toekenningsbesluit heeft vermeld dat er in een overgangssituatie voor is gekozen om de hulp bij het huishouden ongewijzigd voort te zetten, mag een belanghebbende erop vertrouwen dat ook het tarief van deze zorg - waarover een eigen bijdrage wordt berekend - ongewijzigd zal blijven.

CRvB 10-11-2010, nr. 09/1801 WMO, LJN: BO7133

De essentialia van het Wmo-voorzieningenpakket moeten op grond van artikel 5 Wmo door de gemeenteraad in de Wmo-verordening worden vastgelegd.

De hoogte van financiële tegemoetkomingen moet in beginsel tot de essentialia van het Wmo-voorzieningenpakket worden gerekend, zodat deze in beginsel op grond van artikel 5 Wmo in de Wmo-verordening moeten worden vastgelegd. Als de hoogte van financiële tegemoetkomingen voldoende is gewaarborgd in de Wmo-verordening, is delegatie aan het college van de vaststelling van de hoogte van de financiële tegemoetkomingen toegestaan.

Als de gemeenteraad de regelgevende bevoegdheid ter zake van de vaststelling van het bedrag van de financiële tegemoetkomingen heeft gedelegeerd aan het college, moet het college het bedrag van die tegemoetkomingen vaststellen in de vorm van algemeen verbindende voorschriften, en niet in de vorm van beleidsregels.

Naar boven


Verzoek om toezending rechtbankjurisprudentie

Wij roepen alle lezers van deze nieuwsbrief op om ons relevante Wmo-uitspraken van rechtbanken toe te zenden. Deze worden namelijk lang niet allemaal gepubliceerd via www.rechtspraak.nl.

Vermelding van uitspraken in deze nieuwsbrief geschiedt altijd anoniem, dus zonder weergave van de namen van partijen.

Bij voorbaat dank voor uw medewerking!

Naar boven


Colofon

Uitgever

Deze nieuwsbrief is een uitgave van Schulinck.

Gratis abonnement

Belangstellenden kunnen zich gratis abonneren op de Nieuwsbrieven via www.schulinck.nl. Abonnees op het Schulinck Handboek Wmo die deze nieuwsbrief willen ontvangen, kunnen dat aangeven via de knop "Voorkeuren" in het Schulinck Handboek Wmo.

Integrale teksten aangehaalde uitspraken

De integrale teksten van de in deze nieuwsbrief besproken rechterlijke uitspraken zijn te raadplegen via het Schulinck Handboek Wmo. Daarnaast worden vrijwel alle uitspraken ook gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

Redactie

mr. Erik Boersma
mr. Sanne Bohnen
mr. Diana Hermans-Dassen
mr. Paul Jeukens
Ingeborg Lunenburg
mr. Paul Mulliť
mr. Hans van Rooij (hoofdredacteur Wmo)
mr. Wilma Rutgers
Vera Staaks
mr. drs. Nicole Tielen
mr. dr. Matthijs Vermaat

Redactie-adres

Schulinck
Keulseweg 1b-c
5953 HD  Reuver
Tel. 077 - 475 8018
Fax 077 - 475 8019
Web: www.schulinck.nl
E-mail: info@schulinck.nl

Copyright

© 2010, Schulinck. Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieŽn, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Schulinck.

Disclaimer

Aan de totstandkoming van deze uitgave is de uiterste zorg besteed. Voor informatie die niet dan wel onvolledig of onjuist is opgenomen aanvaarden de auteurs en de uitgever geen aansprakelijkheid.

Naar boven


[UITSCHRIJFLINK]